Beth Lord gidst boeiende wandeling door de Ethica

Wat zijn er in het Engelse taalgebied toch al flink wat goede inleidingen op de Ethica van Spinoza geschreven. Ik besprak zeer enthousiast die van Thomas Cook en van Steven Nadler en anderen. En weer kan ik een prima inleiding signaleren. Dit boekje van Beth Lord, Spinoza’s Ethics [Edinburgh University Press, 2010], is precies wat je van een handleiding verwacht. Beth Lord leidt de lezer door het majestueuze landschap dat de Ethica is. Ze wijst op de paadjes, toont de prachtige vergezichten en kapt de overwoekeringen door de secundaire literatuur weg. Dat laatste doet ze onopvallend. Ze laat zich niet afleiden door de thema’s en moeilijkheden die door de geleerde literatuur zijn opgeworpen en toch is – voor de goede verstaander – duidelijk dat ze zich er in haar werk als gids mede door heeft laten beïnvloeden.

In haar inspirerende wandeling door de Ethica volgt ze op hoofdlijnen de tekst die ze helder en samenvattend toelicht, hier en daar wijzend op een fraai plantje of een struikje waar de lezer anders misschien onopgemerkt aan voorbij zou gaan. Ik heb inmiddels al heel wat inleidingen gelezen, maar deze gooit hoge ogen als het om een wedstrijd zou gaan – wat uiteraard niet het geval is.

Tijdens de rondleiding, waarbij ze zoveel mogelijk de ‘orde en aaneenschakeling’ van de geometrisch opgebouwde Ethica volgt, neem ze af en toe een pauze om een of ander thema te bespreken. Heel aardig is dat ze niet verwijst naar de thematische debatten die in de loop der tijd over de Ethica gevoerd zijn, maar dat ze de verwachting uitspreekt dat bij haar lezers (waarbij ze duidelijk vooral studenten op het oog heeft) inmiddels de een of andere vraag zal zijn opgekomen, waaraan ze dan aandacht geeft. Zo bijvoorbeeld problemen met Spinoza’s godsbewijs in IP11; het samengaan van 'nastreven van eigen voordeel' met rekening houden met anderen; het samengaan van gedetermineerdheid en vrijheid; de onvrije wil en morele verantwoordelijkheid; de vraag of Spinoza fatalistisch is en dergelijke meer.

Fraai vind ik hoe ze de zgn. parallelliteit van uitgebreide dingen en de ideeën ervan illustreert aan de hand van het voorbeeld van de ontwikkeling van:

            ei → larve → rups → pop → vlinder met:  
idee van ei → idee van larve → idee van rups → idee van pop → idee van vlinder.
Waarmee ze in mijn ogen indirect, zonder dat ze dat behandelt, impliciet dus, kritiek levert op de uitleg van Curley die nadrukkelijk, maar eenzijdig aan de kant van de uitgebreidheid de fysieke wetten, waaronder de bewegingswetten, en aan de kant van het denken de logische wetten noemt, alsof ideeën alleen maar langs strikt logische wetmatigheden uit andere ideeën volgen. Zonder Curley’s naam te noemen, had ze die toelichting eerder wel gebruikt, maar bij het door haar gegeven ‘parallellisme’-voorbeeld is van logica weinig meer te merken.

Hier en daar ondersteunt ze haar toelichting met schematische voorstellingen, iets dat altijd riskant is bij het weergeven van een metafysica.

Bijzonder fraai en geslaagd vond ik haar toelichting op de samenhang tussen de essentie en de existentie van singuliere dingen en hun idee, waarbij ze – iets wat je zelden zo toegelicht ziet – het dubbelkarakter van de menselijke geest in beeld brengt: als idee van het lichaam is onze geest deel van het oneindige intellect, maar van ons lichaam (en onze geest) zijn wij zelf ons slechts gedeeltelijk en verward bewust.

"Our mind does indeed exist on two distinct ‘levels’. In its essence, your mind is the true and complete idea of your body. But in its finite existence, your mind is the partial consciousness of your body’s affectedness. The former is God’s idea in the infinite intellect: here, the mind is not a finite mode, but part of an infinite mode. The essence of your mind is therefore to be part of the infinite intellect and to be clear, distinct and complete idea of your body, as described in P12. But when it is expressed as an actually existing finite mode, your mind is expressed along with the other finite modes that you constantly interact with. Here, God actively conceives your mind together with ‘a great many other ideas’(P19Dem). From God’s perspective, each idea is conceived distinctly. But our finite minds are being conceived along with many other ideas, meaning that our own thinking is necessarily entangled with those other ideas. Your mind, in its finite existence, is necessarily entangled with the ideas of external things; in Spinoza’s phrase, it is ‘confused’ with them." [p. 70]

Als voorbeeld neem ik haar schema hier over, alsmede de bijbehorende toelichting die ik heb gescand en elders geplaatst (als u op het schema klikt, verschijnt die tekst). Het is in mijn ogen een hoogtepunt in haar boekje, maar het is niet het enige – zo zijn er meer.

Ze gaat niet heen om de niet bepaald eenvoudig te begrijpen (en soms bekritiseerde) tweede helft van het vijfde deel van de Ethica. Ik vind het moedig zoals zij een poging doet er brood van te bakken. Maar geslaagd vind ik haar uitleg niet, waarbij ze de geest van de mens na de dood, vanwege het eeuwige karakter van de essentie ervan, verder laat denken; dan pas, na de dood, zou men eindelijk in staat zijn de derde vorm van kennis, de scientia intuitiva, en het resultaat van de amor Dei intellectualis deelachtig zou worden. Ik acht dat een ongeloofwaardige manier van Spinoza begrijpen. Dat broodje acht ik mislukt, maar voor de rest blijkt ze een buitengewoon goede bakker.

                                               * * *

Image of Dr Beth LordBeth Lord is a Lecturer in Philosophy at the University of Dundee, UK. Her interests centre on Kant, Spinoza, and contemporary continental philosophy.  

Ik wijs nog op het blog Nieuw licht op Kant en Spinoza n.a.v. Beth Lord: Kant and Spinozism: Transcendental Idealism and Immanence from Jacobi to Deleuze [Palgrave Macmillan, 2010]

Reacties

Op de late avonde, als vermoeidheid toeslaat, wil ik toch graag ook nog even reageren op je blog over Betty Lord. Als je samenvatting van wat zij over Ethica 5 schrijft correct is, dan moet dit eigenlijk haar hele commentaar disqualificeren. Overigens is het door jou geplukte en rood gedrukte citaat wel interessant, hoewel ik de dubbelheid van ons denken anders wou willen weergeven: we hebben steeds 'kennis van zaken' en kennis van die kennis, waarbij beide 'kennissen. in eerste instantie inadequaat zijn. De verhouding tussen oneindige idee en eindige of confuse idee is m.i. voortreffelijk weergegeven in de fantastische vergelijking die Burchard de Volder geeft in zijn correspondentie met Leibniz. Zie haar op p. 219 van mijn onvolprezen boek MANNEN ROND SPINOZA.
Ten derde hoor ik je niet over de merkwaardige cover-illustratie! Die voetzool-afdruk intrigeert mij. Zou Betty de tenen zien als symbool voor de 5 delen van de ETHICA, waarbij de dikke teen dan deel 1 zou weergeven? Of bedoelt zij dat wij in de voetsporen van Sp[inoza moeten lopen? Gaat zij in de richting van Sloterdijk's nieuwe flutboek "Je moet je leven veranderen"?

Alle boekjes in de "Edinburgh Philosophical Guides Series" hebben die voetafdruk op de cover. Alleen de kleur verschilt. Haar kan dus niet enige bedoeling met de afbeelding worden toegedicht.
"Leren spoorzoeken aan de hand van een ervaren spoorzoeker", zal de uitgever ermee bedoeld hebben?

Ik zat er dus onnodig mee. Achteraf bedacht ik ook nog dat zij misschien had willen zinspelen op de passage ETHICA 2/18s, dat echter over een paardenhoef-spoor in het zand ging. Ook niet dus. Maar mijn correlatie tussen de 5 tenen en de 5 delen van de Ethica die precies op de mens passen, was toch wel goed gevonden, vind je niet?

Jawel, zeker aardig gevonden. De vijf delen van de Ethica hangen onderling samen als de tenen van één voet. Mooier kunnen we het niet maken. Zoals Spinoza in Duitse vertaling zei: „Heiterkeit kann kein Übermaß haben.“

Ik ben er niet uit, maar ik denk niet dat de menselijke geest, voor zover idee van het menselijk lichaam, een deel is van het oneindige intellect van God, zoals Beth Lord stelt. Het menselijk lichaam is een singulier ding dat eindig is en een beperkt bestaan heeft (I 28). Dat geldt mutatis mutandis voor de idee van het singuliere ding. De idee van Peters lichaam bestaat net zo lang als Peter bestaat (II 17s). Volgens mij kun je niet zeggen dat het wezen van de menselijke geest of van een ding bestaat in het oneindige intellect. In het oneindige intellect bestaat de volledige ware en adequate idee van het menselijk lichaam. Spinoza zegt dat het wezen van een singulier ding 'begrepen' ("comprehendi") is in het betreffende attribuut, in de zin dat het attribuut er de oorzaak van is (het 'bestaat' niet en is niet onderscheidbaar). In die zin is het wezen van iets eeuwig en zijn bestaan niet. Het is denk ik ook niet als idee van het menselijk lichaam dat de geest 'denkt' ("De mens denkt" II ax2) en ideeën vormt omdat hij 'een denkend iets' is. Dat doet hij als deel van het oneindige intellect van God.

Beste Henk, je lijkt de dingen wat door elkaar te gooien, maar je zegt dan ook: Ik ben er niet uit. Je geeft echter hier en daar zelf de antwoorden of tegenwerpingen tegen jezelf. Ik antwoord je vanuit wat Beth Lortd me heeft laten begrijpen (het wordt geloof ik wel wat lang).

Jij schrijft: “Spinoza zegt dat het wezen van een singulier ding 'begrepen' ("comprehendi") is in het betreffende attribuut, in de zin dat het attribuut er de oorzaak van is (het 'bestaat' niet en is niet onderscheidbaar). In die zin is het wezen van iets eeuwig en zijn bestaan niet.”
Correct gezegd en dat bedoelt Beth Lord met aan te geven dat de essentie, het wezen, van het ding, wat betreft het attribuut uitgebreidheid een plek heeft in de oneindige modus beweging en rust en wat betreft het attribuut denken in het oneindige intellect, de oneindige modus van dat attribuut (denken).

Jij schrijft het zelf: “In het oneindige intellect bestaat de volledige ware en adequate idee van het menselijk lichaam.” Precies: en die volledige ware en adequate idee van het menselijk lichaam is – dat is een andere term ervoor - de “geest van de mens”. Het oneindige intellect heeft alleen maar adequate-ware ideeën. Dat hoeft er niet steeds bij geschreven te worden. Als Spinoza het heeft over de geest, die de idee is van het menselijk lichaam, dan is dat de adequate idee van het menselijk lichaam. Dat idee “bevindt zich in”, is deel van het oneindige intellect.

Jouw volgende zin, die een valse tegenstelling creëert, klopt dan ook niet: “Het is denk ik ook niet als idee van het menselijk lichaam dat de geest 'denkt' ("De mens denkt" II ax2) en ideeën vormt omdat hij 'een denkend iets' is. Dat doet hij als deel van het oneindige intellect van God.” Nee, “(adequaat) idee van het menselijk lichaam” en “deel van het oneindig intellect” is één en hetzelfde, zijn verschillende uitdrukkingen voor hetzelfde.

Het verschil zit hem in die (eeuwige) essentie en (tijdelijke) existentie. Het “dubbelkarakter van de menselijke geest zit dus in die “twee niveaus” (van het eeuwige en tijdelijke, of essentie en existentie).

Het klopt uiteraard dat "De mens denkt" (II ax2), maar de mens denkt nauwelijks adequaat. Veel is verbeelding en aardig wat is bereikbaar met de ratio, maar slechts weinig van het menselijk denken is adequaat – “taak” is zoveel mogelijk die essentie te bereiken, anders gezegd zoveel mogelijk van de natuur te leren kennen en naar de eigen natuur te handelen.

Jij schrijft: “Het menselijk lichaam is een singulier ding dat eindig is en een beperkt bestaan heeft (I 28). Dat geldt mutatis mutandis voor de idee van het singuliere ding.” De eerste zin klopt, de tweede klopt alleen voor de existentie, het reëel bestaan van het singuliere ding en zijn concrete singuliere geest, maar niet voor de essentie of adequate idee ervan.
Jij schrijft: “De idee van Peters lichaam bestaat net zo lang als Peter bestaat (II 17s). Volgens mij kun je niet zeggen dat het wezen van de menselijke geest of van een ding bestaat in het oneindige intellect.” Dat kun je dus wel, zo blijkt uit het vorige. Lees er het aan te klikken stukje tekst van Beth Lord nog eens op na.

Het punt is volgens mij dat je nog eens moet overdenken wat je eigenlijk zegt als je het hebt over “het idee van het menselijk lichaam”. Ik moet er bij zeggen dat Beth Lord in de definitie van idee (onder een idee versta ik een concept van de geest, die hij vormt omdat hij een zaak is die denkt – IIDef3) het concept van het oneindige intellect leest. Eindige geesten zijn immers de expressie van God als denkende zaak. Net zoals `Spinoza per definitie onder lichaam verstaat “een modus die Gods wezen, wanneer men het als een uitgebreide zaak beschouwt, op een bepaalde wijze tot uitdrukking brengt” (IIDef 1). Jij leest in navolging van Guerault, daar het Latijnse Mens met hoofdletter is geschreven, daar wellicht geest van de mens. Ik heb al eens eerder betwijfelt of die exegese van Guerault altijd is vol te houden.

Beste Stan, ik maak het niet zo lang, wij zijn het gewoon niet met elkaar eens. Waar staat dat dat het wezen van de menselijke geest zich in het oneindige intellect bevindt? Je zegt: klik het stukje van Beth Lord maar aan. Ja, Beth Lord vindt dat, maar ik dus niet. Het wezen van de dingen is begrepen in de attributen (niet onderscheiden en niet identificeerbaar). Als idee van het menselijk lichaam is de menselijke geest geen deel van het oneindige intellect. Het is het deel dat sterft met het menselijk lichaam, wat blijft is het intellect (zie deel V). Intellect en idee van het lichaam zijn twee verschillende functies van de menselijke geest. De idee van het menselijk lichaam 'denkt' niet, dat is, brengt geen ideeen voort.
In deel II schrijft Spinoza 167 keer "Mens" (in verschillende naamvallen) met een hoofdletter. Bijna altijd in de samenstelling "menselijke Geest" en als er alleen "Geest" staat heeft het altijd betrekking op een "menselijke Geest" die eraan voorafgaat. De "Geest" in de definitie van idee kan OOK staan voor het oneindige intellect, omdat alle 'menselijke Geesten' tesamen het oneindige intellect vormen (V 40s). Men kan 'Geest' op eindig en oneindig niveau vatten.

Eén vraagje slechts: is "idee van het menselijk lichaam" een adequaat of een inadequaat idee?
Of, nee, nóg een vraagje: en wiens idee is dat dan - of waar bevindt zich dat idee?

Ik zei het al, ik ben er niet helemaal uit, het ideebegrip is een
lastige zaak. Spinoza stelt het, buiten de definitie, op twee manieren aan de orde.

1) Ware ideeen stemmen overeen met hun "ideatum". (I ax.6). Dit en al het 'percipere', 'concipere' en 'intelligere' van de definities lijkt te gaan over ideeen die gevormd worden door een intellect van zaken die bestaan buiten het intellect. Hier lijken de begrippen adequaat en inadequaat idee op van toepassing. Het menselijk begrip of intellect heeft veel onvolledige of inadequate ideeen.

2) De menselijke geest is de idee van het menselijk lichaam (II p13) Spinoza noemt het lichaam niet de "ideatum" van de idee maar de "objectus" van deze idee. Idee en objectus zijn met elkaar verenigd. Als ik het goed begrijp zijn ALLE fysieke dingen verenigd met hun idee (II 13s)(de cirkel en de idee van de cirkel zijn hetzelfde ding enz.). Deze ideeen worden in vereniging met en parallel aan de fysieke dingen ontwikkeld. Je zou dus zeggen dat ze 'per definitie' adequaat zijn. Maar het is lastig, er komt waarschijnlijk helemaal geen bewustzijn aan te pas. Dus wat het dan nog is? Bestudeer II 19d maar eens.
Worden deze ideeen ook gevormd door een Geest? Je zou kunnen zeggen dat ze gevormd worden door het oneindige intellect, op de manier zoals God alle singuliere dingen veroorzaakt voor zover hij wordt aangedaan door andere singuliere dingen (de idee van een lichaam wordt veroorzaakt door een ander idee van een lichaam)

Het is te vergelijken met het verschil tussen de idee van Peter die het wezen van Peters geest constitueert (de idee van Peters lichaam als objectus) en de idee van Peter in de geest van Paul (de idee van Peters lichaam als ideatum). Gelukkig 'begrijpen we duidelijk wat het verschil is tussen deze twee' (II 17s).

Een interessante passage is jouw "er komt waarschijnlijk helemaal geen bewustzijn aan te pas." Daar heb je wat mij betreft gelijk in, sterker: je mag 'waarschijnlijk' wegstrepen. Maar dan komen we aan een heel nieuw onderwerp. Zoals je weet ben ik nogal bezig met het zoeken naar wat "intellectus infinitus" bij Spinoza kan betekenen. We zijn geneigd 'denken', 'kennis' en 'idea' etc. aan bewustzijn te verbinden. Ik begin er meer en meer naar over te hellen, dat bij Spinoza het "oneindige intellect" meer een theoretische positie is - een filosofisch voorstel om de dingen 'vanuit God' of 'vanuit een volstrekt objectief standpunt' (of 'from nowhere' a la Nagel) te bezien. "Intellectus infinitus" is daarvoor shortcut. En dan moeten we daar niet een wezen (God) met een vorm van bewustzijn bij denken, wat we gauw geneigd zijn te doen (maar dat is antropomorf gedacht). Wij worden a.h.w. gehinderd door ons bewustzijn (wij kunnen de dingen alleen maar vanuit ons beperkte, tijdelijke bewustzijn te zien). Ander shortcut is "adequaat idee" - dat is dan de samenvatting van alles, maar dan ook werkelijk alles, wat er aan kennis te weten valt over een object, vanuit een dergelijke objectieve positie (intellectus infinitus). Wij mensen hebben die positie niet (onze kennis gaat over objecten voor zover ze ideata zijn - zelfs als het ons eigen lichaam betreft). Maar wij kunnen ons wel een dergelijke positie filosofisch denken. En Spinoza doet steeds voorstellen om de dingen zó - los van onszewlf - te bezien (subs specie aeternitatis) en meer en meer objectiviteit te bereiken.
Ik hoop daar ooit nog eens een aantal blogs aan te wijden.

Nooit eerder las ik een benadering als ik in mijnh vorige reactie gaf en zie: zo kom ik toevallig (?) in Speculum Spinozanum, waarover ik zojuist een blog maakte in het laatste hoofdstuk dit tegen:

God is an insight, a 'bird's-eye view' of the universe (Colin Wilson)