August Thalheimer (1884-1948) & Die Wiedergeburt Spinozas

August ThalheimerMarxistische intellectueel en kritische communist in de KPD tijdens de Weimar Republiek. Was bevriend met een van de vroege voorzitters van de Kommunistsche Partij Duitsland, Heinrich Brandler en was van niet geringe betekenis voor de internationale arbeidersbeweging.
Hij – de jüdische Schwabe - publiceerde een tweetal nog steeds interessante stukken over Spinoza, die ik via het vorige en dit blog onder de aandacht wil brengen.

Na zijn studie in medicijnen, filosofie, taalwetenschappen en antropologie promoveerde hij in 1907 in Straßburg tot doctor in de filosofie, waarna hij in Berlijn tot 1909 verder studeerde in filosofie en economie. Daarna keerde hij naar zijn geboortestreek Württemberg terug.

Voor WO I was hij lid van de Duitse Sociaal Democratische Partij en redacteur van het orgaan van de Braunschweiger SPD Volksfreund. Vanaf 1916 assisteerde hij, als medeoprichter van de Spartakusbund, bij de productie van de Spartakusbriefe. Vanaf 1917 was hij lid van de Onafhankelijke Socialisten, de USPD en medeoprichter van de Duitse Kommunistische Partij, de KPD, waarvan hij, mede als uitgever van de Rote Fahne een prominent theoreticus werd. Hij redigeerde de uitgave van de bij de dood van Franz Mehring onuitgegeven manuscripten. Na de moord op Rosa Luxenburg werd hij een van de leidende figuren van de KPD en vertegenwoordigde tot het 3e Wereldcongres in 1921 de offensieve theorie van de Komintern; daarna veranderde hij zijn opvatting en werd hoofdvertolker van de zgn eenheidsstrategie.

Tijdens de crisis van 1923 was hij minister van Financiën van het bestuur van Württemburg, werd samen met Brandler verantwoordelijk gehouden voor het debâcle, waarna hij naar Moskou werd geroepen waar hij werkzaam werd in het apparaat van de Kommunistische Internationale, alsmede voor het Marx-Engels Instituut. Zijn colleges verschenen in 1927 aan de in 1924 gevestigde Sun Yat-Sen Universiteit als filosofie-tekstboek (in 1936 in New York vertaald als Introduction to Dialectical Materialism). Samen met Boekarin werkte hij aan het programma van de Komintern. Onder druk van de KPD keerde hij in 1928 terug naar Duitsland. Een jaar later werd hij samen met Brandler door de KPD buitengesloten, waarna beiden samen de KPO oprichtten, ofwel de Brandler-organisatie, die kritiek uitte op de buitenlandse politiek van de Sowjet Unie, terwijl ze het binnenlandse beleid grotendeels gezond achtte. Thalheimer was groot voorstander van de collectivisatie. In 1932 ging hij in exil naar Paris en ging in 1936 naar Spanje, waarna weer terugkeerde naar Frankrijk waar hij weer voor de KPO in exil ging werken. Toen Hitler Frankrijk binnenviel vluchtte hij naar Cuba waar hij in 1948 overleed en op een joodse begraafplaats werd begraven.

Van hem zijn twee werken over Spinoza bekend en op internet te vinden:

Die Klassenverhältnisse und die Klassenkämpfe in den Niederlanden zur Zeit Spinozas
Vortrag, gehalten am 2. April 1927 in der Kommunistischen Akademie, Moskau, aus Anlaß des 250jährigen Todestages B. Spinozas.

Spinozas Einwirkung auf die Klassische Deutsche Literatur. Over o.a. Herder en Goethe.

Op dat laatste ga ik hierna in. Het was mijn hernieuwde speurtocht naar de relatie van Goethe met Spinoza, waarover ik weer eens wilde schrijven, die mij bij dit stuk bracht en zo bij de Moskouse Spinoza-connectie.

Thalheimers essay Spinozas Einwirkung auf die Klassische Deutsche Literatur (1928) is een uitvoerig en gedegen artikel over de receptie van Spinoza in het Duitsland van de 18e eeuw – een knap staaltje van dialectisch beschrijven en analyseren hoe telkens het Spinozisme op een nieuw niveau wordt opgepakt en naar een verder niveau wordt ontwikkeld. Van Spinoza naar Herder, van Herder naar Goethe en naar Schelling. Verderop in het stuk wijst hij erop dat Spinoza's filosofie niet die van een telg uit een onderdrukte, maar die van een heersende klasse, van de Hollandse handelsbourgeoisie, is.  

Thalheimer ziet Spinoza als de grootste en dapperste ideologische voorvechter van de burgerlijke revolutie in de 17e eeuw, maar ook als de dialectische materialist die zowel de dialectiek als het materialisme voorbewerkt heeft. Wat de burgerlijke filosofiegeschiedenis van Spinoza maakt is voor hem ‘einfach eine historische Fälschung.’

Aanvankelijk verguist om zijn naturalisme en zijn scherpe bijbelkritiek, kwam de doorbraak voor het Spinozisme met het aanvankelijk anoniem gepubliceerde boekje van Jacobi, wat zoals we nu zouden zeggen een hype gaf. Alle groten namen een standpunt in: Herder, Goethe, Kant, Schelling. Men gaat Spinoza lezen i.p.v. alleen maar over hem (zoals Bayle’s artikel in diens Dictionaire). Het heropduiken van Spinoza ziet hij samen met Kants Kritik der reinen Vernunft vier jaar voor de Franse Revolutie als dé ideologische voorbereiding van de burgerlijke revolutie die in Duitsland niet verder kwam dan de als “Klassieke Duitse Literatuur en Filosofie” bekend staande periode die met Feuerbach ten einde kwam en overging in het ‘wetenschappelijk socialisme’ van Marx en Engels.

 

Lessing was het theïsme voorbij (Thalheimer citeert uitvoerig uit Jacobi’s boekje en uit een brief van 1763 aan Jacobi: … alles, was außer Gott existieren soll, existiert in Gott"), maar zet een stap verder dan Spinoza door er de ontwikkelingsgedachte aan toe te voegen, zowel in de natuur als in de geschiedenis. “Die Wiedergeburt Spinozas im Ausgang des XVIII. Jahrhunderts in Deutschland ist nicht einfache Wiederholung, sondern, wie übrigens jede solche Wiedergeburt, zugleich V e r w a n d l u n g ‚ eine Verwandlung zugleich fortschrittlicher Natur.” Het ontwikkelingsconcept ziet hij als geslaagde toevoeging; een teruggang zit in de toespitsing op het idealisme, hetgeen voor de auteur de noodzakelijke voorfase was voor de – mede via de Fransen benadrukte – materialistische omslag van Feuerbach. Een kwestie dus van historische ontwikkeling.

Mendelssohn maakt om vriend Lessing voor het theïsme te redden een ‘gereinigde, ‘verlichte’ vorm van spinozisme. Daar besteedt hij verder weinig woorden aan. Hij laat zien dat Kant zich vooral uit vrees zijn baan te verliezen (de opvolger van zijn op sterven liggende broodheer was nogal vroom) er alles aan gelegen was zich tegen atheïsme, dus Spinozisme af te zetten: elk ‘wetteloos’ denken voert tot ongeloof, vrijgeesterij en uiteindelijk tot regeringsingrijpen…

De diepste uitwerking had Spinoza op Herder. Hij was het die de jonge Goethe op Spinoza wees. Hij was het die de ontwikkelingsgedachte introduceerde in zijn Ideen zur Geschichte der Menschheit (1784/91). Maar Herder ‘kreeg de Spinozistische geestesvrijheid niet in zijn hoofd’; “Spinoza mußte sich eine leicht christliche Färbung gefallen lassen.” Uitgebreid citeert hij uit hét stuk over Spinoza: Gott. Einige Gespräche von J.G. Herder uit 1787, waarin Spinoza, zoals hij dat noemt, theologisch wordt glad gestreken. Dan volgt een fraaie korte typering: we zien Spinoza bij Herder ‘abgestumpft’ in de richting van het theïsme, ‘vereinseitigt’ in de richting van het Idealisme en ‘erweitert und vertieft’ in de grote gedachte van de fasegewijze vooruitgang, de ontwikkeling van natuur en geschiedenis.

 

Vervolgens volgt een uitvoerige paragraaf over Goethe. Goethe die in alles vooral kunstenaar was. Hij hield zich met natuurstudie en maatschappelijke verandering bezig als kunstenaar. Hij rebelleerde als kunstenaar, niet als politieke of sociale rebel. Hij stamde uit het stedelijk patriciaat en voegde zich in in het hofleven van de kleinstaat, maar als kunstenaar omvatte hij het ganse universum. Goethe had wel het voordeel dat hij niet de christelijke en theologische bekommernissen had zoals van Herder. Zo is hij in staat Spinoza veel vrijer tegemoet te treden. “In Goethes Lied befreit sich das Naturgefühl und die Naturanschauung von allen Resten christlich-religiöser Färbung.” De natuur is geen schepping meer, maar oneindige en eewige substantie. Er is geen enkele ruimte meer “für ein Jenseitiges’. Maar Goethe heeft geen eigen filosofie, hoeveel Duitse filosofieprofessoren en doctoren daarover ook geschreven mogen hebben, stelt Thalheimer. Hij had Spinoza al tijdens een Rijnreisje in 1774 ontdekt waarbij hij Jacobi ontmoette. Tien jaar later in de winter van 1784/85 leest hij samen met Gertrud Von Stein de Ethica. Na veel (intussen goed bekende) citaten uit Dichtung und Wahrheit en een korte burgerlijke literatuurgeschiedenis in vogelvlucht, buigt de auteur weer terug naar Goethe met deze fraaie slotwoorden: “Das Goethesche Liebeslied ist nicht übersetzter Spinozismus - aber es entspringt derselben großen und freien Weltansicht, die das christlich-asketische sinnenfeindliche Sündenbewußtsein überwunden hat.

Der lyrische Dichter ist Entdecker und Pfadfinder in der Welt der Gefühle. Goethe, der lyrische Dichter, entdeckt und formt in der Welt der Gefühle, was Spinoza, der Denker, in der Welt des Gedankens geformt.”

Het is best interessant om over deze materie te lezen van iemand die duidelijk een goede studie van zijn onderwerp heeft gemaakt, maar die vanuit een heel ander – marxistisch - kritisch apparaat uitgaat bij het schetsen en evalueren. Ik vind dit stuk een aanrader.

 

Bronnen 

Archief Thalheimer bij marxist.org 

Duits gedeelte van deze site

Thalheimer bij de Duitse wikipedia en via hier de Engelse

Theodor Bergmann: Die Thalheimers Geschichte einer Familie undogmatischer Marxisten [ 256 Seiten; 20,40 EUR, ISBN 3-89955-059-X]

WOLFGANG HAIBLE & MARVIN CHLADA: August Thalheimer – Zur Erinnerung an einen revolutionären Kommunisten [PDF]

Reacties

Inderdaad: best interessant om over deze materie te lezen wat een 'dialektisch materialist' als Thalheimer daarover schrijft.