Arthur Schopenhauer (1788 - 1860) over Spinoza: 'Ecce Judaeus'

Al eerder, 16 sept. 2009, had ik een blog Schopenhauer’s Spinoza, maar dat gaf niet zijn hele Spinoza-beeld. Ik denk niet dat dit blog er nu uitputtend over zal zijn, maar ik zal het iets dichter naderen. Aanvankelijk had ik in de titel iets van Schopenhauer’s ‘haat-liefde-houding’ tegenover Spinoza willen opnemen, maar dat zou de waarheid te vaag weergeven: Schopenhauer had een enorme bewondering voor Spinoza en zag hem als zijn voorloper, waaraan dan overigens wel iets te verbeteren viel. Ook als hij zijn methodologie bekritiseerde bleef hij Spinoza als een uniek genie zien. En dat in weerwil van Schopenhauer’s antisemitisme: in zijn optimisme en realisme had Spinoza ’t joodse in hem niet kunnen afleggen, meende hij. En af en toe had Schopenhauer het over: ‘Ecce Judaeus’ - een vergelijking waarin zijn bewondering doorklonk.

Ondanks hun verschillende filosofische houdingen (de een optimist, de ander pessimist) hadden ze veel gemeen. Spinoza’s concepten hebben een enorme invloed op Schopenhauer uitgeoefend. Volgens Brann zit er in Schopenhauer zelfs meer Spinoza dan, zoals algemeen wordt aangenomen, Kant. 1)

portret van Arthur Schopenhauer in 1815 door Ludwig Sigismund geschilderdWie een merkwaardige passage schrijft, als welke Samuel Rappaport van Schopenhauer citeert, gaat wel ver in z’n identificatie:

„Spinoza starb den 21. Februar 1677; ich bin geboren den 22. Februar 1788 — also genau 111 Jahre d. 100 Jahre + 1/10 davor + 1/10 nach seinem Tode: oder man setze Eins zu jeder Zahl seines Todes-Tages (soweit es in diesem Jahrtausend möglich ist) so hat man meinen Geburtstag. It's very old. — Pythagoras würde sagen . . . ."  2)

 

De aanleiding voor dit blog: van Dieter Birnbacher verscheen dit jaar bij Klement/Pelckmans een fraai boekje, Schopenhauer. De macht van de wil. Het is een prettig leesbare inleiding van duidelijk een kenner van Schopenhauer. Maar net als in de veelgeprezen biografie van Rüdiger Safranski, Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie, wordt de schatplichtigheid van Schopenhauer aan Spinoza niet besproken. Wel noemt Birnbacher hier en daar Spinoza, bijvoorbeeld dat Schopenhauer “zich heel vanzelfsprekend plaatst in de traditie van de grote systeemdenkers: Plato, Aristoteles, Descartes, Spinoza en Kant.” Maar daar blijft het zo ongeveer bij. Schopenhauers ambivalentie (tussen idealisme en realisme b.v.) wordt wel beschreven. En uiteraard komt aan bod dat hij zich zag als een trouwe volgeling van Kant, die hij – gehoor gevend aan diens oproep ‘durf zelf te denken’ – zelfs meende te verbeteren. Maar dat hij die ambivalente houding ook tegenover Spinoza had – enerzijds diepgaand bewonderen en in veel volgen, anderzijds zwaar bekritiseren – komt niet aan de orde. Dus ook niet dat hij de bijkans onmogelijke taak op zich nam, zoals Ernst Clemens in zijn proefschrift in 1899 betoogde, te trachten Kant met Spinoza te verzoenen en een synthese van beide na te streven. 3)

Grappig is wel dat Birnbacher het wilsbegrip van Schopenhauer dat aan alles ten grondslag zou liggen, waarmee hij het normale dagelijkse wilsbegrip vergaand uitbreidde, o.a. verwant zag met Spinoza’s conatus-begrip: “een buiten toedoen van het bewustzijn verlopend en op zelfhandhaving en voorplanting gericht proces.”  Dat laatste is wat de wereldwil ten doel heeft (p. 35). Maar Piet Steenbakkers heeft juist laten zien dat opmerkelijkerwijs Schopenhauer niet naar Spinoza’s conatusbegrip verwees, terwijl dit toch zo voor de hand zou hebben gelegen – zoals nu dus ook uit Birnbacher’s vergelijking blijkt. 4)

Het meest opvallende ontbreken van verwijzingen naar Spinoza is waar Birnbacher Schopenhauer’s “baanbrekende opvatting van de identiteit tussen bewustzijn en lichamelijke processen” beschrijft. “In feite was Schopenhauer, wat het lichaam-ziel-vraagstuk aangaat, een van de eerste identiteits-theoretici.” Psychische en lichamelijke processen worden beschouwd als twee kanten van dezelfde zaak, van de ‘wil’ – lichaam en bewustzijn zijn ‘objectiveringen van de wil’. In wezen identiek, onderscheiden zij zich slechts door de wijze waarop wij ze gewaar worden, door de ‘vorm van hun kenbaarheid’ (p. 46).
Wie bedenkt hierbij niet dat Schopenhauer deze denkfiguur van Spinoza heeft?

In het boeiende en zeer informatieve artikel van Henry Walter Brann: Schopenhauer and Spinoza 1) dat ik onlangs te pakken kreeg, blijkt hoeveel Schopenhauer met Spinoza is bezig geweest: van jongsafaan tot hoge ouderdom bleef hij lezen en studeren in de Paulus-editie van Spinoza Opera quae supersunt omnia uit 1802-03 die hij in 1811-13 aanschafte en waarin hij steeds weer opmerkingen en uitroepen plaatste. Algemene indruk is dat Schopenhauer ambivalent is t.o.v. Spinoza, maar dat de balans ten positieve doorslaat. Zeker over Spinoza’s persoonlijkheid is hij enthousiast bewonderend; over delen van zijn leer is hij negatief, maar ook dan blijft hij respectvol. Die ambivalentie kan ook niet anders als de filosoof van het pessimisme en de somberte zich bezig houdt met de filosoof van het optimisme en de blijheid.

Schopenhauer is van mening dat Spinoza het cognitieve, de (logische) rede met het principe van de (reële) oorzaak verwarde. Zo zou Spinoza het godsbewijs dat volgens de logische sluitregels binnen de wereld van de ideeën blijft, hebben omgezet in zijn pantheïsme, waarbij het gaat om de relatie van God tot de wereld. Hij zou de logische rede hebben genomen als een reële oorzaak, waarbij God zelf deel wordt van de wereld. Op deze lijn uit zijn proefschrift bleef Schopenhauer doorborduren in zijn latere hoofdwerken, maar ging daarbij Spinoza’s ‘fout’ meer wijten aan de geometrische methode. Volgens Schopenhauer is de bron van de kennis bij Euclides een andere dan de bewijsvoering, waarin het logisch redeneren volgens het niet-contradictie-beginsel centraal staat. De bron van kennis is echter de waarneming, de ervaring en de daarin spelende oorzaken van het zijn. Bij Spinoza moet het ook zo gegaan zijn; alleen werkte hij elke corresponderende waarneming weg in zijn bewijzen, die hier en daar wringen door onvolledigheid of door cirkelredeneringen. Spinoza zelf moet zijn zekerheid niet aan zijn bewijzen hebben ontleend. Zo gaat het ook bij ons, zijn lezers, om a priori inzicht vanuit zuivere waarneming en onmiddellijke intuïtie. Dit nagestreefde rationalisme zit Schopenhauer dwars. Hij vindt dan ook dat de Amsterdamse filosoof zijn resultaten beter op een recht-toe-recht-aan natuurlijke manier had kunnen aanbieden. Hij had niet moeten starten met abstracte ideeën zonder te laten zien hoe hij eraan kwam. Volgens hem lag aan de basis bij Spinoza een cognitieve intuïtie.
Het zij en passant gezegd, met dit laatste ben ik het geheel met Schopenhauer eens. Uiteraard begon Spinoza voor zichzelf niet bij de definities van God etc. en de axioma’s. Dat is een constructie achteraf van op andere wijze ontstaan weten en zekere overtuiging.  

Naast Schopenhauers kritieken zijn er veel overeenkomsten tussen beide denkers, met name op het vlak van de metafysische eenheid van lichaam en geest. De eeuwige substantie van Spinoza wordt de wereldwil bij Schopenhauer (‘t Kantiaanse Ding-an-sich). In vroege manuscripten uit 1816 noemt Schopenhauer de Wil de natura naturans en de Voorstelling (Idee) de natura naturata. Ondanks zijn kritiek heeft hij ook waardering voor het pantheïsme en kan hij begrip opbrengen voor Spinoza’s ‘vergoddelijking’ van de wereld. Ook ziet hij zijn eigen systeem, net als dat van Spinoza, bestaan door en vanuit eigen kracht – causa sui.
Later vereenzelvigt hij de Wil met de uitgebreidheid en denken met zijn Idea. Nog weer later stelt hij uitgebreidheid gelijk aan materie, wat dan weer niets anders is dan zijn ‘Wil in de natuur’.  Ook zijn beide filosofen het eens over het belang van kennis in het ethische project en met name de hoogste vorm ervan, die van de intuïtie.
Ze zijn het volledig eens over het determinisme – ook voor het menselijke gedrag en dus over het niet bestaan van de vrije wil. Zij zijn het eens over het beheersen van emoties en passies door redelijk cognitief inzicht en praktische wijsheid. Schopenhauer ziet dat echter als het uitdoven van de levenswil door de eeuwige drang van de emoties en van de verlangens te dempen in de richting van het nirwana.

Ja, Schopenhauer bewonderde én streed met zijn grote voorbeeld: Spinoza. Blijkbaar is een inleiding, zoals Dieter Birnbacher schreef, niet de plaats om dat mee te nemen. Ten onrechte volgens mij. Het boekje van 158 bladzijden had er niet eens veel dikker, maar wel veel interessanter door kunnen worden.

Noten

1) Henry Walter Brann: Schopenhauer and Spinoza. In: Journal of the History of Philosophy - Volume 10, Number 2, April 1972, pp. 181-196

2) Samuel Rappaport, SPINOZA UND SCHOPENHAUER, Der Vereinigten Friedrichs-Universität Halle-Wittenberg, Halle a/s,1899, S. 117 [bij Archive.org] [N IV 378. –]

3) Ernst Clemens: Schopenhauer und Spinoza (dissertatie), Leipzig, 1899

4) Steenbakkers, P. ‘Quandoque delirat bonus Spinoza: Schopenhauers Kritik an Spinoza’. in Czelinski, M., e.a. (Ed.), Transformation der Metaphysik in die Modern. Zur Gegenwärtigkeit der theoretischen und praktischen Philosophie Spinozas, Manfred Walther zum 65. Geburtstag. Würzburg: Königshausen und Neumann, 2003, S. 219-238  [zie vorig blog over Schopenhauer)

Bespreking van dit boekje van Dieter Birnbacher door Marinus de Baar in Trouw van 11 dec. 2010 met de titel: Blik op de wereld van een zwartkijker