Arnold Zweig (1887-1968) over "De levende gedachten van Spinoza"

Als een intermezzo in de kleine reeks blogs die ik wijd aan Clarice Lispector (1920 - 1977) en Spinoza, kom ik met een blog over het boekje over Spinoza van Arnold Zweig (1887-1968) dat in 1939 verscheen in de reeks “De levende gedachten van…”. Het blog dat ik over dit boekje kort na de zomer van 2008 schreef is door blogse.nl zoek geraakt. Toen had ik het uit de bibliotheek geleend, nu schafte ik me een exemplaar aan, daar ik uit een uitgebreide eindnoot in het boek van Benjamin Moser over Clarice Lispector las dat het de Franse vertaling van dit boekje uit 1939 was, waaruit zij haar kennis over Spinoza putte. Dat maakte mij nog eens nieuwsgierig naar dit boekje, waaraan ik geen herinnering meer had, behalve dat het bestond en wat ik erover schreef in dit latere blog over die reeks.

 

Ongeveer een derde deel van het werkje bestaat uit een korte biografie van Spinoza en tweederde deel bestaat uit een reeks teksten uit de TIE en de Ethica, gearrangeerd door Arnold Zweig.

Het begint met een grote schets over de achtergrond waartegen Spinoza moet worden geplaatst (de Spaanse jodenvervolging, de Hollandse Republiek, de ontdekkingsreizen en opbloei van de wetenschap). Het heeft alles een licht geëxalteerd karakter. De eerste paragraaf eindigt aldus:

”Zo, op het snijpunt van twee tijdperken, zien wij in de wereld van Spinoza, de rug a.h.w. nog beschaduwd door het verleden, het gezicht evenwel het heden – een eeuwig heden – gekeerd.”

In de paragraaf over de persoon van Spinoza komen we de bekende “oude kennis” tegen, zoals dat hij uitvoerige Talmoed-studie deed, na de ban vijf jaar bij Ouderkerk woonde, dat hij bevriend was met raadpensionaris Johan de Witt (van wie hij een leefgeld ontving), maar dat hij overigens eenzaam was. We lezen zelfs dat Spinoza zich afkeerde van zijn vader “Miguel de Spinoza, dien hij de dood der moeder niet kon vergeven.” Kortom, de duim van de schrijver kwam er flink aan te pas. En ook al lazen we aan het begin van de schets dat Baruch in Amsterdam geboren werd, krijgen we aan het eind ervan dat hij uit Portugal emigreerde. Ik citeer de slotalinea van het eerste deel:

“Dit is de vrucht der wijsheid van Spinoza, zoals zij in zijn boeken te vinden is, evenals in het reine leven van dengene, in wien zij is gerijpt. Als wij lezen, dat de ware vrijheid van den mens in die mate ontstaat, waarin hij zich van zijn hartstochten weet te bevrijden om zich met de wereldgrond, met God te verenigen, dan zien wij als door een optrekkende nevel de zwaarmoedige ogen en het lichte glimlachen van dien eenzamen mens, die uit Portugal emigreerde, het Amsterdamse Jodendom de rug toekeerde, om in het pantheon der menselijke wijsheid en verhevenheid eeuwig licht uit te stralen.”

Het tweede deel bestaat uit een collage van teksten. Na de inleiding van de Tractatus de Intellectus Emendatione, vervolgens hoofdstellingen en de belangrijkste scholia en Appendix van deel I uit de Ethica, waarin is afgezien van de geometrische orde. Zweig komt niet met toelichting tussenbeide, toelichting is er zoals Spinoza zelf die geeft. Van Zweig is de selectie en ordening (en wellicht de vertaling). Paragrafen zijn:

God, natuur, noodzakelijkheid;
De geest en het denken;
Over de aandoeningen;
Over de vrijheid van de wil;
Het instinct van geestelijk zelfbehoud;
De drie fundamentele aandoeningen;
Actieve en passieve aandoeningen;
Over passieve aandoeningen;
Over volmaaktheid en onvolmaaktheid, goed en kwaad;
De kracht der aandoeningen;
Deugd en de wetten der rede;
Over de waardering der aandoeningen;
Over de juiste levenswijze; [de capita aan ’t eind van deel IV]
De vrije mens:
Het beheersen der aandoeningen;
Liefde en begrijpen van God.
Epiloog. [‘t laatste scholium van deel V]

 

Je krijgt Spinoza’s eigen tekst, maar of Spinoza’s filosofie door een niet-insider zo zonder nadere toelichting helemaal goed begrepen kan worden, vind ik moeilijk te beoordelen - ik betwijfel het.

Ik kom een enkele aanvechtbare passage tegen. Zo vind ik de samenvatting van Caput 18 onduidelijk: “Bij het aanvaarden van weldaden en het betonen van onze dankbaarheid moet onze plicht geheel verschillend zijn.” Wat met dit laatste bedoeld kan zijn, lijkt mij niet erg duidelijk. Ik zou de scholia bij 4/70 en 4/71 waarnaar Spinoza verwijst, als het in een paar woorden moet, weergeven met: “Bij het aanvaarden van weldaden en het betonen van onze dankbaarheid, dienen we zeer prudent te zijn.”

Ronduit fout is waar we op p. 122 lezen (stellingen worden in hoofdletters gezet):

Onder de aandoeningen welke met de geest verband houden, voor zover hij handelt, is er geen die niet tot blijheid of droefheid herleid kan worden.”

Droefheid is volgens Spinoza juist NIET in verband te brengen met de handelende geest. Dit is een verkeerde weergave van stelling 3/59.

Spinoza’s politieke werken komen niet aan bod, alleen zoals gezegd de TIE en de Ethica. Politieke gedachten krijgen we dus alleen zoals ze in de Ethica voorkomen in 3/37 en de Capita 17, 26, 28. Spinoza’s rechtsopvatting (recht is macht) krijgen we hier niet, behalve zoals het – in een ietwat verhulde vorm - te vinden is in Caput 8. Ik vind het belangrijk dit op te merken in verband met het volgende blog waarin ik verder ga over Clarice Lispector.

_________

Ik wijs ook over Arnold Zweig's gedicht  Spinoza-Abgesang in dit blog.