Alexander François Sifflé (1801 - 1872) een Zeeuwse spinozist

Sifflé is een van de herontdekkers van Spinoza in de 19e eeuw in Nederland. Hij kritiseerde de positivisten en – platte - materialisten en hun vooruitgangsdenken en stond een spiritueel spinozisme voor dat later door de generatie van Tachtig omarmd zou worden.

Sifflé studeerde rechten in Leiden (hoewel vooral thuis o.l.v. zijn dominante vader) en werd notaris in Middelburg (in 1828 nam hij de praktijk van zijn vader over). En hij was buiten-universitaire filosoof (ook wel: 'salonintellectueel'), onvermoeibare publicist en spreker die poogde het door de natuurwetenschappen in de verdrukking geraakte bespiegelende en metafysische denken in ere te herstellen. In zijn jonge jaren had hij zich de filosofie van Fichte en Schleiermacher eigen gemaakt.

Hij was betrokken bij het liberalisme in Middelburg, stimuleerde de moderne theologie en de vrije gedachte in Zeeland, en werd een belangrijk wijsgeer van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, waarvan hij in 1856 lid werd. Hij kon daarnaast tegelijk ouderling van zijn gemeente zijn: Spinozisme betekende nog geen atheïsme. Hij stond een soort verlicht christendom voor. Ook was hij actief in de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen. Hij was een liberaal patriot en stond achter de liberale ‘revolutie’ van 1848. Hij was sterk betrokken bij de wegkwijnende Vlissingsche Courant waarvoor hij lange commentaren schreef en bij de omvorming ervan tot de liberale Zeeuwse Courant, maar ook die redde het niet.

Hij schreef gedichten en essays, vooral in De Dageraad en leverde zo een bijdrage tot de herleving van het wijsgerig leven omstreeks het midden van de negentiende eeuw. Hij verdiepte zich in de Duitse 'Pantheismusstreit' en ging zich bezighouden met de denkbeelden van Spinoza aan de hand van de Bruder-editie van 1841. Hij poogde ook in Nederland een wijsgerige en pantheïstische traditie te construeren die op Spinoza terugging. Hij trachtte Spinoza onder de aandacht van geïnteresseerden te brengen en met als vertrekpunt Spinoza’s filosofie een Nederlandse filosofische traditie te construeren die vanaf 1855 korte tijd tot bloei kwam. In een voordracht voor het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen in 1859 poogde hij een traditie te construeren van een 'Nederlandse filosofie' die aanving bij Spinoza en via de kantianen Johan Kinker, Paulus van Hemert en Markus S. Polak evolueerde tot 'het panentheisme des tegenwoordigen tijd', een stroming waarin Sifflé zich thuis voelde en niemand anders dan Spinoza was de grondlegger van deze traditie geweest. In deze Verhandeling over B. de Spinoza trachtte hij zijn gehoor te overtuigen van het feit dat het 'ons kleine vaderland' nooit ontbroken heeft aan scherpzinnige denkers die "als heldere sterren in den nacht van dit voorbijgaande leven, voor ons, pelgrims op aarde, flonkerden aan den hemel, en een vriendelijk licht wierpen op het naar boven kronkelende pad".

Sifflé gingen de materialistische benaderingen van Van Vloten te ver. Hij gebruikte het spinozisme vooral om de opkomende natuurwetenschap en het empirisme aan de kaak te stellen. Zo zag hij de "ervaringsleer" van Auguste Comte als een reactie op strijdende en elkaar betwistende idealistische en religieuze stelsels. Het empirisme was een noodgreep: de filosofie zou zich uit ellende "in de armen van een dogmatisme van tegenovergestelde aard" geworpen hebben. De wijsbegeerte sloot zich steeds meer op in "den beperkten kring der verstandsbegrippen" en bleek in toenemende mate doof voor "de stem des gemoeds".

Moderne wetenschappers pogen slechts iets te kennen maar slagen er niet in tot doorgronding van de natuur te komen. De wetenschappelijke praktijk wijst uit dat de zuivere ervaring onvoldoende voorwaarden biedt voor de erkenning van het eeuwige en onbegrensde. Of zoals Sifflé zich afvroeg: hoe kunnen we door middel van de empirie nog sporen van Spinoza's albezielende en zelfstandige Zijn vinden? De wijsbegeerte mag zich niet verzoenen met het "menigvuldigende" empirisme; de wijsbegeerte heeft haar plaats in de "bovennatuurkunde" waar we door middel van bespiegelingen - zoals de spinozistische "scientia intuitiva" - de samenhang van het Al leren begrijpen.

Tevens hekelde hij pogingen van theologen - zoals Scholten en Scheffer - die hun spinozisme of anti-spinozisme "aan den band [leggen] van kerkelijke, schoon in geschrift vervatte, overlevering en gezagsleer, die [hen] de grootste ongerijmdheden en tegenstrijdigheden als hemelspijs doen verzwelgen".

Misschien ontmoedigd trachtte hij later via de vrijmetselarij zijn denkbeelden te verspreiden. Op 30 maart 1864, op 63-jarige leeftijd, werd hij aangenomen in de Middelburgse loge La Compagnie Durable (opgericht in 1770). Op 27 september dat jaar verkreeg hij de tweede graad en in januari 1865 al de derde en op 24 maart 1865 werd hij benoemd tot redenaar wat hij tot aan zijn dood zou blijven.

Maar aan het einde van zijn leven was Sifflé een nogal geïsoleerde figuur geworden. De belangstelling voor zijn begrafenis was minimaal: enkele familieleden en geestverwanten bewezen hem de laatste eer. Met de dood van Sifflé in 1872 verstomde ook het kritische geluid ten opzichte van de wetenschap. Thissen: “De pantheïstische zomer bleek een kortstondig seizoen - Schopenhauer sprak van 'het atheïsme van de fatsoenlijke burger' - en een nieuwe generatie spinozisten maakte zich op voor de omarming van vooruitgang en wetenschap.”

Werk i.v.m. Spinoza [via hier]

Sifflé, A.F., Verhandeling over Baruch de Spinoza, in: De Dageraad, 3, 1859, S. 97-116.

Sifflé, A.F., Spinoza, in: De Dageraad, 8, 1859.

Sifflé, A.F., Hoe begreep Spinoza de eeuwigheid der ziel?, in: De Dageraad, 13, 1869, S. 74-75.

___________

Diverse publicaties van Siebe Thissen, o.a. zijn De Spinozisten, maar vooral

Siebe Thissen, “EEN MIDDELBURGSE ROBESPIERRE OF SPINOZA? A.F. Siffle 1801-1872” [Hier]