Akosmisme? Zoals God in Spinoza's Kosmos en in ons zit, verdwijnen de Kosmos en wij juist niet maar lichten zeer helder op

Graag attendeer ik op een zeer waardevol artikel

In een vervolgblog dat ik wilde maken op mijn kritische blog over de recent gepubliceerde tekst van Michael Della Rocca, wilde ik ingaan op het essay van Yitzhak Y. Melamed, "Acosmism or Weak Individuals? Hegel, Spinoza, and the Reality of the Finite" [PDF]. Dat daar ik wist dat hij in dat stuk zich verzette tegen Hegels kritiek op Spinoza, namelijk dat er bij hem geen ruimte zou zijn voor de mensen en de wereld om te bestaan (dat die eerder illusies zouden zijn, daar er maar één substantie, n.l. God was - vandaar de beschuldiging van "akosmisme"). Melamed betoogt dat de eindige dingen wél bestaan, maar in een zwakke vorm, een mindere bestaansvorm ("weak individuals") en daarvoor beroept hij zich op Michael Della Rocca.

Maar zie, daarmee bezig zijnde, ontdek ik dat er juist vorige maand een buitengewoon boeiende tekst is verschenen, waarin veel diepgaander dan ik dat ooit zou kunnen, kritiek wordt gegeven, zowel op Hegel's zienswijze als op die van Yitzhak Y. Melamed. Als het ware wordt "the conversation between Hegel and Melamed" behoorlijk kritisch onder de loep genomen. Het gaat om

Jason Dockstader, "The Day in Which All Cows Are White: Spinoza’s Acosmism in Another Light." In: Society and Politics Vol. 8, No. 1(15)/April 2014 [PDF]

Een tekst om met almaar rodere oortjes op het puntje van je stoel te lezen! Ook hier een betoog waarin gebruik wordt gemaakt van een principe zoals Leibniz het voor het eerst formuleerde [en dat in de Angelsaksische filosofische wereld bekend is als "the principle of the identity of indiscernibles (PII) en omgekeerd, the principle of the discernibility of identicals (PDI)]; ook hier een hedendaags filosoof die ingaat op en gebruik maakt van nóg enige begrippen uit de hedendaagse filosofie, maar die dat in mijn ogen wel doet om zo optimaal het filosofische systeem en de opzet van Spinoza duidelijk te maken. Hegel krijgt ervan langs maar ook Melamed.

Jason Dockstader blijkt een gedegen kenner van Spinoza én tevens een goed uitlegger van zijn filosofie. Zijn speelse titel is een omkering van een passage in de Fenomenologie van de Geest, waarin Hegel de nihilistische vergetelheid van de in z'n eentje bestaande oneindige substantie typeert als "de nacht waarin alle koeien zwart zijn."

Zie hoe hij creatief en uiterst zinnig een samenhang schetst tussen de drie kennissoorten, verbeelding, intellect en intuïtie en de drie soorten oneindigheid die Spinoza onderscheidt: "finitude, infinity in kind, and absolute infinity."

Waar Badiou ooit van mening was dat tussen de oneindige modi "beweging en rust" en "oneindig intellect" gaan parallellie kon bestaan, daar heeft Jason Dockstader er geen enkele moeite mee die in z'n analyse te beschrijven. "Moreover, it is an infinite intellect that is the adequate idea of motion and rest." (p. 103/=12). Verrassend vond ik bij hem te lezen: "The fact that they [all bodies] are all animate Spinoza calls “motion and rest.” (p. 101/=10)

De passage waaraan ik het meest moest wennen (maar het went snel) is die waarin hij behandelt dat elk attribuut vanuit z'n eigen perspectief de hele substantie is en zo tegelijk ook elk ander attribuut. Hij geeft zelf al aan dat het een "interesting and thus far unnoticed implication of Spinoza's latent application of the PDI" betreft. (p. 105/=14) Maar leest u zelf.

Ja ik raad ieder lezing van dit artikel aan. Ik neem aan dat ook u het als een van de verrassendste Spinoza-analyses van de laatste tijd zult ervaren. Hierbij graag doorgegeven.

Stan Verdult

              

Reacties

Inderdaad, Stan, dit is een verdomd goed artikel. Terecht door jou aanbevolen. Helaas wel wat veel herhalinen. Wat mij persoonlijk ( met mijn zwak voor Spinoza's fysica) ook erg aansprak: zijn gebruik (en serieus nemen) van lemma I na 2/13. Verder vind ik dat de auteur zijn voordeel zou kunnen doen met mijn uitleg van de 1e kennissoort en van het verschil tussen inadequaat en adequaat kennen. Ethiicom is in dit opzicht in secundaire literatuur nog. Iet overtroffen.

Wat foutjes in het voorgaande.ik bedoelde te zeggen dat Ethicom nog NIET is overtroffen.

Ik had de nodige verbetering al geraden na je eerste reactie Wim....Ik ben het met je eens inzake de waardering voor dit artikel. Dit riskeert een unieke blog te worden: alleen maar instemming, zelfs van Wim...In ieder geval bedankt Stan om dit weeral voor ons op te snorren.

Het artikel van Dockstader is een boeiend artikel maar ook een artikel met een uitkomst die wellicht discutabel is. Boeiend is zijn theorie over het beschouwen (en zijn) van de werkelijkheid vanuit drie perspectieven, corresponderend met de drie soorten kennis en drie vormen van (on)eindigheid, resp. eindig, oneindig in zijn soort en absoluut oneindig. Discutabel is zijn toepassing van het ‘Principle of the Discernability of Identicals’ (Baxter), waarvan hij veronderstelt dat Spinoza dat impliciet gebruikt. Dit principe zegt dat een ding kan verschillen van zichzelf zonder dat het zijn identiteit verliest. Een ding kan beschouwd worden onder verschillende aspecten of vanuit verschillende perspectieven ('aspectival distinction'), waarbij het toch hetzelfde ding ofwel zelf-identiek blijft. Zo zijn de attributen de verschillende aspecten waaronder de substantie kan worden beschouwd en bestaat. Tot zover geen probleem. Maar de volgende interpretatie lijkt specifiek voor Dockstader. Hij zegt: een attribuut IS substantie vanuit zijn eigen perspectief. Als een attribuut de substantie is vanuit zijn eigen perspectief, DAN IS EEN ATTRIBUUT OOK ELK ANDER ATTRIBUUT, want om substantie te zijn (vanuit eigen perspectief) moet het ook alle andere attributen zijn. (Raadselachtig: een attribuut is elk ander attribuut, maar alleen vanuit eigen perspectief. Wat mag dit betekenen?). Toegepast op de eindige modi geeft dit: ‘all thoughts or ideas ARE bodies and vice versa.’
Ook eindige modi ZIJN God vanuit een bepaald perspectief. Ze zijn verschillend als aspect maar identiek als God:
‘Only in this way can we form an adequate idea that knows that God IS all that follows and flows from his essence and that we and all things are all just so many more discernibly identical ways God essentially exists’.
De consequentie lezen we in de conclusie:
‘God is all things and all that they do. All things are God, his power to be all things and do what they do. God is omnipotent, and since God is all things, so too must all things be essentially omnipotent’. Discutabel?

We moeten hierbij wel bedenken dat dit alles het geval is als we de dingen bezien ‘onder een zeker aspect van eeuwigheid’ (door de tweede of derde soort kennis).

Dag Henk, Ik vroeg me al af waar je bleef, maar hier ben je dan. Je legt je vinger inderdaad op een opvallende passage, waarover ik in m'n blog al schreef dat ik er het meest aan moest wennen (maar ik wende er tamelijk snel aan). Je kunt in zekere zin zeggen dat Dockstader op dat punt door Hegel beïnvloed lijkt, n.l. dat God toch ook omgekeerd in zekere zin afhankelijk is van de modi, want niet zonder de modi kan bestaan. Dat dus waar De Dijn zich telkens zeer tegen verzet en het nodig vindt om op het transcendente van God te wijzen. De interpretatie van Dockstader neemt de uiterste consequentie van de immanentie van God of de substantie. Het zelfstandige en uitzichzelf (causa sui) bestaan van de substantie vindt zijn uitdrukking in de modificaties. God bestaat niet apart naast of los van de dingen, maar zijn bestaan zit in en speelt zich af in alle dingen. De eindige modi zijn de wijze waarop de eeuwige substantie bestaat (er is niet iets daarnaast). God of de substantie gaat dus helemaal en zonder rest op in wat eruit ontstaat - al wat is. Dus ja, alle dingen samen (als eeuwig en oneindig beschouwd) drukken dus Gods almacht uit (want, nogmaals, die is niet nog iets daarnaast). Ja, ik kan me wel redelijk in die benadering vinden.

Maar ik dacht dat je je altijd hevig verzet had tegen de toepassing ‘all thoughts or ideas ARE bodies and vice versa.’ En je onderschrijft dus ook dat ELK ding God IS (en almachtig, enz.)?

En dat attributen identiek zijn? (weliswaar vanuit 'het eigen perspectief' van een attribuut, wat die beperking ook precies moge inhouden)

Niet ELK ding (every thing) is, maar alle dingen (all things) zijn God (God vanuit zijn uitwerkingen gezien; vanuit het perspectief van de dingen; Deus quatenus). Dat wat het laatste betreft.

Ik blijf mij net als altijd hevig verzetten tegen de gelijkstelling van attributen, dat denken en uitgebreidheid hetzelfde of identiek zouden zijn: nee, ze zijn eigenschappen van eenzelfde ding - daarin schuilt hun zgn. 'identiteit'. Maar dat is ook niet wat Dockstader volgens mij beweert.
Hij beweert wel, en m.i. terecht, dat, Ja, een attribuut substantie IS vanuit zijn eigen perspectief. Zoals Spinoza schrijft dat de denkende substantie en de uitgebreide substantie één en dezelfde substantie zijn, nu eens zus, dan weer zo beschouwd. Het gaat dan om de HELE substantie, maar niet de ALOMVATTENDE substantie. Wel de hele substantie, want de substantie bestaat niet uit delen; maar niet de alomvattende substantie, want de substantie kent een diversiteit aan attributen of te onderkennen wezensaspecten. Dus inderdaad, via de unieke eenheid die de substantie is (er ís immers maar een substantie), is elk attribuut, vanuit het eigen perspectief gezien, die substantie (waar het attribuut van is): attributen zijn van iets en zijn niet a.h.w. 'vrij zwevende' eigenschappen. Ze horen bij elkaar, de attributen, zijn de verschillende wezensaspecten van één ding. Dus over de boeg van die ene substantie, die alle attributen/aspecten omvat waarin het wezen van de substantie zich uitdrukt (en laat kennen), kún je dus zeggen dat vanuit het perspectief van denken (van die substantie) gezien, het denkattribuut ook de uitgebreidheid (van de substantie) 'bevat', 'aankleeft', 'aanhangt', ja in zekere zin 'is' (maar met 'is' moet je wel oppassen dat je niet beweert dat ze rechtstreeks hetzelfde zijn; ze zijn pas hetzelfde identieke ding via de 'omweg' van de substantie).
Zo is mijn denken (het denken van deze persoon, Stan) het denken dat bij dit lichaam (van diezelfde persoon, Stan) hoort. En vanuit het perspectief van mijn lichaam gezien, hoort het (omdat het van mij is) bij mijn denken. En in die zin en alleen in die zin (perspectivisch) kun je zeggen dat mijn denken van mijn lichaam is en omgekeerd. Zo lees ik Dockstader.

Wat mij betreft zijn er drie vragen/problemen bij het artikel van Dockstader.
1) Past Spinoza het ‘principle of discernability of identicals’ toe op de wijze die Dockstader aangeeft?
2) het begrip ‘oneindigheid in zijn soort’
3) de tegenstrijdige uitspraken over attributen.
Ik wil nu alleen iets zeggen over het laatste punt (het punt van Stan laat ik dus even liggen)

1. ‘Voor Spinoza zijn attributen het wezen van de substantie (1d4)’ (104). Door de verwijzing naar 1d4 te lezen als: elk attribuut is het wezen van de substantie (overigens zeer betwistbaar, leidt tot tegenstrijdigheden, zoals in de literatuur wordt aangegeven). Op p. 103 lezen we: ‘As we have seen, the essences expressed by the attributes are infinite in kind while the attributes themselves are absolutely infinite.’ Kennelijk drukt een attribuut nu een wezen uit dat ‘oneindig in zijn soort’ is. Dat is dan weer NIET het wezen van de substantie. Elk attribuut drukt kennelijk een eigen wezen uit dat oneindig in zijn soort is. Terwijl algemeen wordt aangenomen dat elk attribuut het ene wezen van de substantie uitdrukt (wat niet wil zeggen dat een attribuut het wezen van de substantie IS). Verder kun je moeilijk zeggen dat een attribuut ‘absoluut oneindig’ is. God is absoluut oneindig, volgens de uitleg die Spinoza daaraan geeft bij 1d6 en volgens die uitleg moet een attribuut gezien worden als oneindig in zijn soort.

2. ‘Elk attribuut moet begrepen worden door zichzelf (1p10) en moet ook gezien worden als de oorzaak van zichzelf omdat Spinoza altijd zelf-conceptie aan zelf-veroorzaking aan elkaar paart’ (104). Dit is maar gedeeltelijk juist. Spinoza zegt dat als iets oorzaak is van zichzelf, het ook begrepen moet worden door zichzelf (volgt uit 1ax4). Maar het omgekeerde zegt hij niet, nergens. Als Spinoza stelt dat een attribuut begrepen moet worden door zichzelf, kun je daar niet uit concluderen dat het ook veroorzaakt wordt door zichzelf (en dus voldoet aan de definitie van een substantie). Je kunt uit 1p10 dus niet concluderen dat een attribuut een substantie is.

Hoewel, Spinoza spreekt in 1p16d wel over 'absoluut oneindige attributen', verwijzend naar 1d6. Hoewel je moet kijken hoe je dat door die verwijzing naar 1d6 moet lezen, zou dat misschien toch kunnen. Maar Dockstader gaat wel in de fout met 'oneindig in zijn soort'. Hij schrijft:
‘For example, Spinoza claims each of the “absolutely infinite attributes” of the divine nature “expresses a nature infinite in kind” (EIp16d).’ (102)
Alle goede vertalingen geven:
'En daar de goddelijke natuur absoluut oneindige attributen heeft, waarvan elk een oneindig wezen uitdrukt in zijn soort …..'
Dat is wat anders dan een wezen oneindig in zijn soort.

Het zit me toch niet lekker, dat van die 'absoluut oneindige attributen'. Dat absolute slaat m.i. op HET GEHEEL van de attributen, 'waarbuiten niets is wat een wezen uitdrukt', op het absoluut oneindige wezen dat God is dus.
Deze lezing ligt ook in de rede, want de zin vervolgt: waarvan ELK enz. Dockstader kan dus niet zeggen dat een attribuut absoluut oneindig is (103). Al met al is er dus aardig wat gehannes in zijn verhaal over de attributen. Maar ik denk dat zijn idee om attributen consequent te zien als substantie wel vruchtbaar kan zijn.

Henk, ik was even niet bij m'n blog, maar volgde zaterdag de laatste bijeenkomst in de VHS-voorjaarscursus (en moest daar vanmorgen van uitslapen en even rustig aan doen...).

Met het citeren in punt 1 van de zin ‘As we have seen, the essences expressed by the attributes are infinite in kind while the attributes themselves are absolutely infinite.’ [p. 104] laat je zien dat Dockstader zich daar ongelukkig uitdrukt of misschien wel vergist. In ieder geval wordt jij op het verkeerde been gezet, doordat je dat leest alsof er iets over de 'essentie' van de substantie wordt gezegd. I.p.v. "essences" had daar moeten staan "immediate modifications" - die zijn infinite in kind.

In punt 2 vergis je je volgens mij, als zouden de attributen niet tevens causa sui zijn. Als ze dat niet zijn, waardoor worden ze dan veroorzaakt? Alsof de substantie iets los van en vóór de attributen zou zijn dat hen veroorzaakt? Dat de substantie voorafgaat of prior is dan zijn modificatie zegt Spinoza alleen van de modi, niet van de attributen zonder welke de substantie niet kan zijn. De attributen zijn de substantie. Dus even causa sui.

Stan, ik ook niet, heb er net 1100 km. op zitten (niet all¨¦¨¦n gereden hoor)
Over punt 1 ben je wel erg mild. Nee, die 'essences' zijn geen vergissing van Dockstader, hij zegt 'as we have seen' en het staat op p. 102. In de ene zin 'As we have seen, the essences expressed by the attributes are infinite in kind while the attributes themselves are absolutely infinite' staan dus gewoon twee knoepers van fouten.

Wat zin twee betreft, daar heb je welicht gelijk (hoewel Spinoza nergens geeft 'door zichzelf begrepen ¡ú door zichzelf veroorzaakt). Dan zou een attribuut voldoen aan de definitie van substantie en daar heeft Dockstader natuurlijk niks tegen. Toch vraag ik me af of Spinoza er niet bewust voor heeft gekozen een attribuut niet expliciet te laten voldoen aan de definitie van substantie.

Ik heb me vergist: niet zelf-veroorzaking zit in de definitie van substantie, maar 'in zichzelf' zijn. Daardoor voldoet een attribuut waarschijnlijk niet aan de definitie van substantie, want Spinoza zegt dat alle attributen zich altijd samen in de substantie hebben bevonden (1p10s). Niet dat dit consequenties voor de stelling van Dockstader hoeft te hebben. Ook zegt Spinoza daar dat uit het feit dat twee attributen reëel onderscheiden zijn, niet volgt dat ze twee zijnden (entia) zijn, wat op het niveau van substanties betekent: twee verschillende substanties.
Maar misschien kun je, wat ik altijd gedacht heb, als Spinoza ? op twee manieren naar een attribuut kijken: een attribuut als eigenschap van de substantie en een attribuut als de substantie onder een bepaald opzicht.

Stan en Henk, jullie focussen op de "discutabele" standpunten van Dockstader, maar jullie zeggen weinig over het hoofdonderwerp van zijn artikel: in hoeverre bestaan eindige modi? Ik vind het antwoord van Dockstader erg origineel, én zeker een stap vooruit vergeleken met het standpunt van Melamed, maar toch blijft het een moeilijk te vatten uitleg. Eindigheid is een fictie, de dingen bestaan niet afzonderlijk, lijken afzonderlijk vanuit de kennis van de eerste soort, maar bestaan dan toch weer als expressie van oneindigheid wanneer bekeken vanuit de kennis van de tweede en derde soort? Is dit niet hetzelfde tegelijk affirmeren en ontkennen?

Mark, alvorens je te antwoorden, ik moest ik het hele artikel weer eens lezen, want de eerste (2) lezingen waren alweer enige dagen geleden. En weer vond ik de hoofdlijn zeer origineel en vruchtbaar. Wat hij doet is niet "hetzelfde tegelijk affirmeren en ontkennen", maar de dingen bezien vanuit verschillend perspectief. Vanuit het perspectief van de eerste kensoort zien we de singuliere dingen fictief en verbeelden we ons dat ze op zichzelf bestaande, maar eindige dingen zijn. Vanuit de tweede kensoort zien we adequaat, maar op een algemene manier, wat in elk ding gemeen is en overeenkomt met het geheel. Pas via de derde kensoort, de intuïtie, zien we dat elk bijzonder ding een reële bestaanswijze is van de essentie of natuur van elk attribuut en dus een uitdrukkingswijze van de substantie. Dat elk ding, niet vanuit plaats en tijd, maar als eeuwig bezien behoort tot de oneindige en eeuwige manier waarop God bestaat. Dat is dus niet hetzelfde tegelijk affirmeren en ontkennen (wat contradictoir zou zijn), maar van hetzelfde ding onder verschillende gezichtspunten iets ontkennen (het eindige en fictieve) en affirmeren (het oneindige en ware); en dat is uiteraard niet contradictoir.

Henk, zoals uit mijn reactie aan Mark blijkt herlas ik het artikel nog eens met ook jouw reactie in gedachten.
Ik krijg de indruk dat Dockstader een kleine jongleuract opvoert.
In de godsdefinitie (1/d6) leest hij als dat elk attribuut: "each one expresses AN eternal and infinite essence." Daarop volgt de door jou geciteerde zin ("As we have seen, the essences expressed by the attributes are infinite in kind while the attributes themselves are absolutely infinite.") en daarin verwijst essences terug naar wat hij eerder op p.102 schreef: "each of the “absolutely infinite attributes” of the divine nature “expresses a nature infinite in kind” (EIp16d). Die essences zijn hier deze natures. Zoals ik in eerdere reactie al aangaf: "immediate modifications". Hiermee benadrukt hij de verschillen van de attributen en hetgeen zij uitdrukken, resp. wat uit hen volgt.
Daarna gaat hij op p. 104 de identiteit van attributen en substantie benadrukken en citeert hij: "An attribute is what constitutes THE essence of substance" (EId4). In het Latijn staan die lidwoorden (door mij hier met hoofdletters benadrukt) niet. Voor wat de attributen geacht worden te doen, leest hij de godsdefinitie dus anders dan de attribuutdefinitie.
Voor de resultaten die hij met zijn 'jongleuract' (als dat het is) bereikt maakt het, heb ik de indruk, niet uit: die zijn er niet minder adequaat en sprekend om.

Laten we de kwestie van de attributen relativeren en zeggen dat hij verkeerde labels heeft geplakt. Zijn ‘absoluut oneindig’ en ‘oneindig in zijn soort’ zijn meestal niet die van Spinoza. Maar dan kan, zoals Stan zegt, de redenering verder nog wel in orde zijn. Dockstader past de PDI toe op de relatie tussen substantie en attributen en tussen substantie, attributen en modi. Ik beperk me nu tot het eerste.
Het gaat er om dat de substantie/God één en veel kan zijn zonder tegenspraak. De ene substantie kan op vele manieren onderscheiden worden, nl. via haar attributen. Daar de substantie ondeelbaar is, neemt ook een onderscheiding via een attribuut de hele substantie. Dus zegt Dockstader: ‘The attributes are discernible, but they are each identical as substance.’
De denkende en de uitgebreide substantie zijn identiek als substantie. Denken en uitgebreidheid zijn reëel onderscheidbaar, maar tevens zijn ze als substantie identiek. Volgens mij klopt dat wel.
Dan zegt D.: Als elk attribuut substantie is vanuit zijn eigen perspectief, dan is een attribuut ook elk ander attribuut dat substantie is vanuit zijn perspectief. Dus de denkende substantie, is ook elk ander attribuut, want dezelfde ondeelbare substantie. ‘Every attribute is identical as substance, but discernible as the attribute it is.’ Dan komt de volgende passage een beetje vreemd over: ‘how many discernible attributes are there? There are all of them, that is how many. And how many is all of them? One.’ (105)
Als ik het goed begrepen heb past hij PDI op dezelfde manier toe op eindige modi. Die zijn dan uiteindelijk ook een onderscheidbaar perspectief op de oneindige ondeelbare substantie. Onder dit principe is elk ding God. Maar dat ga ik nog eens goed bestuderen.

Henk, ik vrees dat Dockstader, hoe boeiend ik z'n stuk ook vind, op het eind toch tuint in de zoals dat heet "mereological fallacy": de fout of verwarring van het deel met het geheel.
Hij mag m.i. terecht spreken van "an absolute infinity of discernible attributes and modes essentially serve as all the self-identical ways an eternally or necessarily existing substance, God or nature, expresses itself." Daar zegt hij iets over het geheel, of beter: het Ene. Hoewel die 'modes' daar al wat merkwaardig tussen zitten.
Daarna gaat hij een betoogje opzetten over die eindige dingen of modi. "But, one must ask, what is weak about being an aspect of an infinite in kind individual and an absolutely infinite attribute?" Je voelt al aankomen dat hij iets gaat laten uitstralen van dat Geheel of Ene. En zo komt hij op: "God is omnipotent, and since God is all things, so too must all things be essentially omnipotent."
Dit begint al zeer riskant te worden, of eigenlijk is het al over de rand, want we weten dat de ondeelbare God niet uit (alle) dingen bestaat. Daarvoor had Spinoza nu juist de oneindige modi als tussenvormen uitgevonden, die wél uit dingen, resp. ideeën bestaan. En ook verder gaat hij allerlei zorgvuldige onderscheidingen die Spinoza maakte (natura naturans en natura naturata) aan zijn laars lappen, bijvoorbeeld waar hij komt op: "all things are as self-causal as God himself because they are all the discernibly identical ways God absolutely infinitely and eternally expresses, or causes, himself to exist."
En zijn conclusie is dan: "Things are not the weak effects of God. Rather, they are his omnipotent self-causation, his absolutely infinite and eternal essential existence, all the discernible ways in and through which he is identical to himself."
Maar je mag niet vergeten dat je daar iets over het Geheel of het Ene zegt; een bewering die je niet mag omdraaien of naar een lager niveau brengen en toepassen op de 'delen'. Je moet oppassen met 'alle dingen' gelijk te stellen met God. En zeker kun je niet besluiten: "elk ding is God." Maar dát zegt hij dan ook nog net niet. Maar wel zegt hij: alle dingen samen zijn God. Want zij zijn de onderscheidbare manieren waarin en door welke God samenvalt met, identiek is aan zichzelf. Hij gaat een brug verder dan Spinoza - mij dunkt een brug te ver.
Die koeien die daar overdag in het licht stralend wit staan te blinken, zijn zelf toch niet dat licht.

Verschijnt niet meer op "laatste reacties"?

Nog eens controleren?