Advies van Odette Vlessing over Spinoza's ban dat eigenlijk geen advies wilde zijn – want onnodig

Gisteren ontving ik een e-mail van Odette Vlessing, historica en angliste (studeerde geschiedenis en Engelse taal- en letterkunde a.d. Hebrew University of Jerusalem en Middeleeuwse geschiedenis a.d. Universiteit van Amsterdam). Ze was als senior-medew. speciaal belast met de joodse archieven in het Amsterdamse Gemeentearchief (specialisatie: Joodse geschiedenis) en is nu gepensioneerd. Bij vele Spinozisten vooral bekend om haar "The Excommunication of Baruch Spinoza: A Struggle between Jewish and Civil Law," [in: J. Israel & R. Salverda (Eds.), Dutch Jewry: Its History and Secular Culture (1500-2000), (Leiden 2002), pp. 141-72.], waarin ze vooral economische en juridische motieven betrekt bij de achtergronden rondom de totstandkoming van Spinoza’s ban in 1656. Een en ander wordt hieronder samengevat. Het is die stellingname die Steven Nadler volgens het verslag van Kees Bruijnes verwierp [cf. blog].

Zij en haar man nemen de draad weer op en zijn voornemens binnen twee jaar het manuscript van hun boek over Spinoza af te ronden en hopen dat het dan ook uitgegeven wordt.

Het beste kan ik deze mail in z’n geheel geven:

“De afgelopen jaren heb ik mij in geen enkele discussie gemengd over Spinoza. Zoals ik u enige jaren geleden schreef had ik het boek dat ik samen met mijn man schreef een tijd opzij gelegd, wegens onenigheid met de uitgever. Ik ben nu gepensioneerd en hoop als vrije persoon binnen twee jaar het manuscript af te hebben. De discussie over de ban van Spinoza heb ik met enige verbijstering gevolgd. Ruim drie jaar geleden ben ik voor de commissie, die een oordeel over de ban zou geven, uitgenodigd. Ik heb deze uitnodiging niet aangenomen, omdat de ban m.i. onvermijdelijk was. Daarbij gaf ik ook aan dat zij al lang vervallen was, hetgeen bij deskundigen algemeen bekend had moeten zijn. Zelfs in de belangrijke documentenuitgave 'Die Lebensgeschichte Spinozas' uitgegeven door Manfred Walther (uitgebreidere heruitgave van Freudenthal) wordt verwezen in het tweede deel, waarin een uitvoerige bibliografie over het leven van Spinoza is opgenomen, onder nummer 946 Hessing, Siegried 'Epilogue - ban invalid after death' in: Speculum Spinozanum 1978 (moet zijn 1977) p. 572-580. Aan de documentenuitgave van Prof. Walther leverde ikzelf en anderen onze medewerking.

Ik heb dus geen zitting genomen in de commissie maar heb wel een schriftelijk advies uitgebracht aan de toenmalige [tijdelijk wnd.] voorzitter [Bram Palache] en de toenmalige secretaris [Moked] van de Portugese gemeente van Amsterdam.

Ik ben niet naar het symposium gegaan omdat er voor mij niets nieuws te verwachten viel. Om mijn standpunt duidelijk te maken geef ik u toestemming de adviesbrief integraal of delen eruit op uw site Spinoza.blogse te zetten. Voor mij is dat een voorlopige afsluiting en ik zal verder geen discussie aangaan voordat ons boek uitkomt.

Met vriendelijke groet,

Odette Vlessing

Voor ik hierna de betreffende brief breng, nog een opmerking over de 'Epilogue - ban invalid after death' van Siegried Hessing. Daarin is veel informatie te vinden, feiten en opinies, maar als het laatste woord over de kwestie kan dat moeilijk beschouwd worden, vooral door de soms nogal geëxalteerde uitlatingen van de soms zwijmelende Spinoza-adept Hessing. Dit terzijde.

Als deze bestuurder Bram Palache de vader is van Ronit Palache, leidt dat bij mij tot vragen over haar voorstelling van zaken die de aanleiding werden voor dit symposium. Dit eveneens terzijde.
                                                                                            [Stan Verdult]

_____________________________________________________________ 

Van: Vlessing, Odette
Verzonden: donderdag 8 maart 2012 16:11
Aan: 'Esnoga Amsterdam'
Onderwerp: Spinoza

 

Geachte heer Palache en heer Moked,

Allereerst wil ik weer mijn excuses aanbieden voor de vertraging in het beantwoorden van uw verzoek. Ik ben de laatste weken niet zo goed en ben nu zelfs wegens veel te hoge bloeddruk enige dagen thuis. Daarbij komt nog dat uw verzoek mij en mijn echtgenoot in een zeer lastig parket heeft gebracht. Wij zijn de laatste twee jaar bezig geweest met het schrijven van een boek over Spinoza en de geschiedenis van de eerste halve eeuw van de joden in Nederland. Daarin spelen de voorouders van moeders- en vaderszijde van Baruch Spinoza een belangrijke rol en wordt de ban in context zeer uitgebreid behandeld. Dit boek stond op de planning voor het afgelopen jaar maar door problemen met de uitgever heeft mijn man het verstandiger gevonden de publicatie voorlopig uit te stellen. Alle vragen die u stelt worden in het boek aan de orde gesteld. Er is zelfs een hoofdstuk over de geschiedenis van de ban door de eeuwen heen. Als wij de nodige financiering vinden zullen wij dit boek zo snel mogelijk uitgeven.

Wel kunnen wij u nu al mededelen dat wij in dit werk ook naar voren brengen wanneer de oudste gemeente opgericht is. Aan de hand van een tot nu toe onbekend document hebben wij de eerste twee decennia kunnen uitzoeken en er blijkt definitief uit dat de gemeente Bet Jacob in 1604 is opgericht.

Wat Spinoza betreft is volkomen duidelijk dat ongeacht of hij wel of geen werken geschreven had (wij constateren dat hij waarschijnlijk nog niets op schrift had gezet) hij zoveel voorschriften van de gemeente en de joodse wet overtreden heeft, dat hij ten allen tijde de ban over zichzelf had uitgeroepen.

-       Spinoza liet zich op 23-jarige leeftijd minderjarig verklaren (volgens de Hollandse wetgeving kon hij zich daardoor met terugwerkende kracht handelingsonbekwaam laten verklaren).

-       Hij deed een beroep op het Hollandse recht in een zaak die binnen het joodse recht gold en waarin parnassim en rabbijnen bevoegd waren. Dit is zelfs in strijd met een expliciet juridisch reglement wat binnen de Portugese gemeente van Amsterdam al twee decennia van kracht was. Ook buiten de Nederlanden werd de rechtspraak binnen de joodse gemeenschappen voornamelijk volgens de halacha beslist. De rabbijnse jurisprudentie was daarbij ook van het grootste belang.

-       Hij accepteerde het joodse erfrecht niet en deed een beroep op de Hollandse wetgeving die ver afweek van het rabbijnse recht. Daarmee verwierp hij ook het joodse huwelijksrecht en hetgeen in de ketubah geregeld wordt. (In het Hollandse recht was toen al sprake van de legitieme portie waar kinderen recht op hebben, binnen het joodse recht niet).

-       Hoewel hij volgens het joodse recht allang meerderjarig was (hij was 21 jaar toen hij de erfenis van zijn vader de facto accepteerde en 23 jaar toen hij met beroep op het Hollands recht deze alsnog verwierp) had hij uit de failliete boedel betalingen gedaan en daarmee de ene crediteur bevoordeeld boven de andere. Dit is een ernstige overtreding zowel van het Hollandse recht als het joodse. Ook de christelijke kerken hadden hem, als hij als meerderjarige lid van hun gemeenschap was geweest, waarschijnlijk veroordeeld en hem uitgesloten van het heilige avondmaal. (Dit was de gebruikelijke straf voor iemand die geen eerlijke regeling met zijn crediteuren bereikte). Alleen omdat men binnen het Hollandse recht pas op 25-jarige leeftijd meerderjarig werd kon hij gebruik maken van een maas in die wetgeving. Deze werd overigens gedicht.

-       Spinoza beschuldigde bij niet joodse rechters zijn vader van het achterhouden van zijn wettelijk erfdeel na zijn moeders dood. Hij bedoelde hiermee dat hij zijn legitieme portie dat volgens het joodse recht niet bestaat niet gekregen had.

-       Hij handelde daarbij tegen het vijfde gebod ‘Eert uw vader en uw moeder’. Zelfs na het overlijden van de ouders behoort men zich volgens de joodse wet eraan te houden. Daarbij komt dat zijn vader zijn zoon volgens de joodse wetgeving waarschijnlijk niet te kort heeft gedaan. Binnen die wetten is de man de voornaamste en vaak de enige erfgenaam van zijn vrouw. (Uitzondering is als in de ketubah de takkanah van Toledo is opgenomen).  

Waarschijnlijk is Baruch Spinoza niet zelf er helemaal schuldig aan dat hij in financiële problemen kwam. Zijn vader die vaak parnas was liet een insolvabele boedel na en misschien heeft Baruch dit te laat ontdekt. Hij zocht echter oplossingen die volledig in strijd waren met het joodse recht en die, indien zij geaccepteerd waren, het einde van de autonomie van de joden in Nederland zouden zijn geweest. In die tijd zouden de joodse gemeenschappen in het buitenland de Portugese joden van Amsterdam niet meer als goede joden en betrouwbare handelspartners gezien hebben. Het was onbestaanbaar dat er een joodse gemeenschap in die tijd in de wereld bestond die het joodse erfrecht en het joodse huwelijksrecht niet naleefde en die toeliet dat iemand op 23-jarige leeftijd minderjarig werd verklaard.

De tekst van de ban die vaak verkeerd vertaald is onderschrijft dit. De belangrijkste punten in de tekst van de ban zijn dat de parnassim kort op de hoogte waren van de problemen rond Spinoza, dat zij hem oplossingen hadden aangeboden en dat men geen documenten opgesteld of geschreven door hem mocht lezen. Parnassim hadden nooit een poging gewaagd hem tegemoet gekomen als het om zeer verwerpelijke afwijkende geschriften ging en hadden dan geen documenten maar traktaten c.q. boeken verboden. Waar de Hollandse instanties later de geschriften van Baruch Spinoza wel verboden hebben de joodse instanties dit nooit gedaan. Dit hoefde ook niet omdat hij om voorgenoemde redenen al geen deel meer uitmaakte van die gemeenschap.

Zelfs als er rond de tijd van de ban toch al geschriften van Spinoza circuleerden (wij achten dit uiterst onwaarschijnlijk) was zijn verbanning onvermijdelijk omdat hij zich niet wilde voegen binnen de grondregels van het joodse civiele recht, wat deel uitmaakte van de joodse wetgeving. Pas enkele maanden nadat hij een beroep deed op de Hollandse wetgeving is hij in de ban gedaan.

In ons boek behandelen wij ook of het mogelijk is de ban na iemands dood op te heffen. Uit bovenstaande begrijpt u dat dit een vreemde situatie zou zijn, maar wij komen ook tot de conclusie dat dit volgens de joodse jurisprudentie niet mogelijk is. Na iemands dood is de ban automatisch opgeheven en kan de aardse mens niet meer ingrijpen maar is het lot van de overledene in de handen van God. De aardse straffen zijn bij het overlijden van een persoon per definitie vervallen en het is volgens de joodse traditie, zover wij op grond van bronnen begrepen, buiten de macht van de mens nog invloed uit te oefenen. Dan zou de mens in de plaats van God treden. Zover wij weten is dat volledig in strijd met elk joodse traditie.

Indien u nog niet genoeg heeft aan deze uiteenzetting zijn wij bereid onder bepaalde voorwaarden u een deel van ons manuscript ter inzage te geven. Dit doen wij niet graag want wij hebben er slechte ervaringen mee. Er is al eens een deel van een tekst in het NRC verschenen zonder dat wij er toestemming voor hadden gegeven en zelfs zonder dat wij wisten dat dit zou gebeuren. U kunt het deel van het manuscript gezien het belang van deze zaak alleen onder absoluut embargo krijgen. Mocht u al overgegaan zijn tot het benoemen van een externe adviescommissie dan mogen zij het manuscript ook niet ter inzage hebben omdat zij er misschien kennis uit kunnen destilleren voor hun eigen onderzoek. Zelf vind ik niet dat ik uw eervolle uitnodiging kan aannemen. Voor mij is hetgeen met Spinoza gebeurde als historicus zo duidelijk dat het geen advies behoeft. Er is veel over Baruch gefantaseerd en ook is er veel onzin verteld over de geschiedenis van de joden in Nederland. Dit komt omdat men vaak christelijke auteurs zomaar overnam zonder de bronnen kritisch te bekijken. Dit komt natuurlijk ook omdat weinig mensen kennis hebben van het Portugees, Hebreeuws en de joodse en Hollandse gebruiken. Daarbij moet men een overall kennis hebben van zowel de joodse geschiedenis als de geschiedenis in het algemeen. Bij toeval heb ik door mijn achtergrond die kennis meegekregen of mij eigen gemaakt en dit maakt het voor mij makkelijker de nodig bronnen te bestuderen.

Hopende u nu al van dienst te zijn geweest,

Met vriendelijke groet,

Odette Vlessing