Adèle’s poging tot onderbouwing van het bewijs dat de mens in essentie God is

N.a.v. de blogs van 31oktober 2015, “Breviarium Spinozanum: Eén idee op twee manieren bezien,” en van 5 november 2015, “We hebben wel een idea Dei,” heeft Adèle haar reacties – mede naar aanleiding van reacties van anderen daar weer op - nog eens overdacht en in een meer systematisch beargumenteerd betoog opgeschreven. Uiteraard geef ik haar hier de gelegenheid om als gast een blog te vullen. De inhoud ervan komt uiteraard geheel voor haar rekening en geeft niet mijn interpretatie van Spinoza weer. Haar tekst is hieronder te lezen én is tevens hier als PDF (versie 3) geplaatst. Ik zal niet in dit blog al reageren, maar mij onder de reactie-gevers begeven.

De mens is in essentie God

 

In mijn eerste reactie op het blog het Breviarum Spinozanum heb ik drie idee-aspecten onderscheiden:

de idee van de goddelijke essentie (idea Dei), de idee van het lichaam (idea) en het reflectieve denkvermogen (idea ideae). De eerste twee heeft een mens gemeen met al wat werkelijk bestaat. Het derde kan hem leiden naar een bewust kennen en realiseren van zijn essentie. Dit is het bewustzijn dat bewust blijft voortbestaan na de dood. In het vervolg hierop heb ik nog de stellingen toegevoegd dat de mens in essentie een gedachtevorm is van God, en daarmee God ís. Met name deze toegevoegde stellingen blijken weerstand op te roepen. Er blijkt tot nu toe geen weerstand te zijn tegen het onderscheiden van de drie idee-aspecten, of beter gezegd: van drie verschillende modi van het attribuut ‘denken’. De stelling dat de idee van een enkelvoudig ding zich manifesteert als het (onbewuste) vermogen te reageren op de omgeving, heeft tot nu ook toe geen weerstand opgeroepen. Daar ga dan nu niet verder op door. Er blijven dus vier zaken die ik dien te bewijzen:

 

a. Te bewijzen: mensen zijn in essentie een oneindige gedachtevorm van God, een idea Dei. Dit geldt voor alles wat werkelijk bestaat.

Bewijs:

  1. Om het even welke idee van om het even welk lichaam of enkelvoudig ding dat feitelijk bestaat, sluit noodzakelijk Gods eeuwige en oneindige essentie in. 2/45

  2. Er kan maar één idee van God zijn, waaruit oneindig veel op oneindig veel manieren volgt. 2/4

  3. Hieruit volgt dat alles wat feitelijk bestaat in essentie een gedachtevorm van God is.

     

  4. De essentie van de mens wordt gevormd door zekere modificaties van de attributen van God, namelijk door de modi van denken. 2/10c, 2/11

  5. De essentie van de mens en een ding zijn niet vernietigbaar. [En zijn dus eeuwig]. 2/10s, laatste alinea en 1/17s, laatste alinea.

  6. Hieruit volgt dat er een modus van de mens is die feitelijk bestaat en eeuwig is, en waarvan de essentie, Gods eeuwige essentie is.

  7. Uit 3 en 6 volgt dat mensen in essentie een gedachtevorm van God zijn. En ook dat dit geldt voor al het andere dat werkelijk bestaat.

 

Toelichting 1: volgens 2/10c bestaat de essentie van de mens uit zekere modificaties (meervoud) van de attributen, waarvan een of meer modificaties eindig zijn. Om die reden bestaat de mens niet noodzakelijk als het zijn van substantie, en behoort het zijn van substantie niet tot zijn wezen. Uit 2/10s, laatste alinea en 1/17s, laatste alinea blijkt dat de essentie van een van die modi onvernietigbaar is en eeuwig. Er bestaat dus geen tegenspraak tussen 2/10 dat de essentie van de vorm van de mens (forma hominis) niet noodzakelijk bestaat als het zijn van de substantie, en 2/10s en de laatste alinea van 1/17s dat de essentie van de mens goddelijk is. Integendeel; omdat de essentie van de enkelvoudigheden die de vorm samenstellen ook eeuwig en onvernietigbaar is, ligt dit geheel in elkaars verlengde, zoals later nog duidelijker wordt in 2/37.

 

Toelichting 2: Met de zinsnede ‘daar God niet tot het wezen van de individuele dingen behoort’ in 2/10, laatste alinea, geeft Spinoza weer wat hij nu juist NIET beweert.

 

Toevoeging aan 4: mijns inziens behoren tot die ‘zekere modi van denken’, die drie genoemde: idea, Idea Dei, idea ideae.

 

b. Te bewijzen: de mens ís in essentie God. Dit geldt voor alles wat werkelijk bestaat.

  1. In de wereld bestaat maar één substantie en die is absoluut oneindig. 1/14c

  2. Een absoluut oneindige substantie (God) is ondeelbaar. 1/13

  3. Dus de essentie van substantie (God) is ook ondeelbaar. Anders was het niet de essentie.

  4. Er kan maar één idee van God zijn, waaruit oneindig veel op oneindig veel manieren volgt. 2/4

  5. Uit 3 en 4  volgt dat de essentie van iedere gedachtevorm, God is.

 

Bijkomende stelling:

De Idea Dei (de idee van God) correspondeert met Gods essentie; een idea Dei (een gedachtevorm van God) met de conatus van een enkelvoudig ding.

  1. Gods wil is zijn essentie. 1/34

  2. Gods denken en Gods wil zijn hetzelfde. 2/49c

  3. Dus Gods denken is zijn essentie.

  4. Het denken vormt (constituit) de idee van God 1/21b

  5. Uit 3 en 4 volgt dat de Idea Dei overeenkomt met Gods essentie.

  6. De conatus van een enkelvoudig ding is de essentie van dat ding. 3/7

  7. Ieder enkelvoudig ding is in essentie een gedachtevorm van God.

  8. Uit 6 en 7 volgt dat de conatus overeenkomt met een idea Dei.

 

c. Te bewijzen:  Alles wat bestaat is in potentie God, maar alleen de mens kan dat individueel realiseren, dankzij het unieke karakter van de menselijke geest (de idea ideae). Door deze geest kan de mens zichzelf bewust leren kennen als de idea Dei die hij in wezen is, en daarmee overeenkomstig bewust handelen in overeenstemming met Gods wetten.

Bewijs:

  1. Het is onmogelijk dat de mens geen deel van de natuur is en geen andere veranderingen kan ondergaan dan die uit zijn aard alleen begrepen kunnen worden en waarvan hij de adequate oorzaak is. 4/4

  2. Het feitelijke verstand, eindig of oneindig, moet Gods attributen en Gods wijzigingen bevatten en niets anders. 1/30

  3. Een van de modi waaruit de vorm van de mens bestaat, is een gedachtevorm van God.

  4. Hieruit volgt dat het menselijke verstand een ware idee kan bevatten van de eigen goddelijke aard, en waarvan de mens de adequate oorzaak is.

     

  5. De menselijke geest heeft adequate kennis van Gods eeuwige en oneindige essentie. 2/47 Omdat alles echter in God is en door middel van God gedacht wordt, volgt dat wij uit deze kennis meer kunnen afleiden wat we adequaat kennen en zodoende die derde categorie van kennis vormen (…) . 2/47s Deze categorie van kennis begint met een adequate idee van de werkelijke essentie van attributen van God en leidt tot adequate kennis van de essentie van dingen. 2/40s2

  6. Uit 4 en 5 volgt dat de mens door middel van de intuïtie (de derde categorie van kennis) zichzelf direct kan kennen als Gods idee.

  7. God handelt uitsluitend op grond van de wetten van zijn aard, niet omdat hij door iemand gedwongen wordt. 1/17

  8. De mens is in essentie God.

  9. Uit 7 en 8 volgt dat de mens in staat is als God te handelen, mits zijn denken adequaat is (4). Dat wil zeggen: in overeenstemming is met Gods wetten. 4/50s, eerste zin.

 

d. Te bewijzen: Bewustzijn (kennis) van de essentie is gerealiseerde essentie en blijft daarom voortbestaan na de dood van het menselijk lichaam, naarmate die kennis groter is.

Bewijs:

  1. Substantie (God) is oneindig (1/8, 1/14), dus ook haar essentie.

  2. De mens is in essentie God.

  3. Hieruit volgt dat de essentie van een mens blijft voortbestaan na de dood van het lichaam.

  4. De essentie van de geest bestaat in kennis. Hoe meer dingen de geest dus met de tweede en derde categorie van kennis begrijpt, des te groter is het deel dat van hem overblijft. 5/38b

  5. Uit 3 en 4 volgt dat directe kennis van de essentie gerealiseerde essentie is en daarom blijft voortbestaan na de dood, naarmate deze kennis groter is.

 

De filosofie van Spinoza is dermate consistent dat de hierboven genoemde stellingen op verschillende andere manieren kunnen worden bewezen. En had Spinoza het nodig gevonden om te stellen dat wij in essentie God zijn, dan had hij dat zeker beter gedaan dan ik hier gedaan heb. Maar dat hij dat niet nodig vond, wil niet zeggen dat dat nu 250 jaar later niet alsnog nodig zou zijn, of dat hij dat niet gedaan had kunnen hebben. Zoals ik, naar ik hoop, heb kunnen aantonen.

 

Adèle Meijer, Velserbroek 17 november 2015

Reacties

Adèle, je geeft een indrukwekkend argumentatief betoog, waarin je zeer veel aan de orde stelt, waarop dus veel reactie mogelijk en nodig is. Ik wil mij in eerste instantie beperken tot wat je stelt in

Toelichting 2: Met de zinsnede ‘daar God niet tot het wezen van de individuele dingen behoort’ in 2/10, laatste alinea, geeft Spinoza weer wat hij nu juist NIET beweert.

Nu moet je altijd oppassen met ontkenningen van ontkennende zinnen, maar begrijp ik je goed dat je stelt dat Spinoza in het scholium bij 2/10c met "et tamen Deus ad earum essentiam non pertinent" dat hij het daarmee niet eens is en dus in positieve zin zou stellen dat God wel tot het wezen van de enkelvoudige dingen behoort? Kun je die lezing toelichten?

Toch meteen alvast mijn hoofdreactie: je hebt een zeer idealistische benadering van Spinoza Adèle. Waar ik duidelijk lees in 1/34 "Gods macht is zijn wezen" - Dei potentia est ipsa ipsius essentia - lees jij: Gods wil is zijn essentie. 1/34 en "Dus Gods denken is zijn essentie." Bij jou komt alles voort uit Gods denken en dat is een traditionele benadering van God waar Spinoza op vele plaatsen uitdrukkelijk tegen opponeert. Het attribuut Uitgebreidheid is bij jou volledig uit beeld. Nogmaals, je betoog doet daardoor zeer idealistisch aan. Zo zou de conatus van elk ding alleen maar een gedachte zijn (bijkomende stelling bij a.). De rest bewaar ik voor later.

@ Stan 11.06. Ja dat beweer ik. Spinoza gaat hier zeer omzichtig te werk: enerzijds kan, wil en mag hij niet ontkennen wat de hoofdgedachte van 2/10 is, namelijk dat SUBSTANTIE niet tot de essentie van de mens uitmaakt; anderzijds wil hij niet in contradictie komen met het bestaan van een eeuwige essentie in de mens. Vandaar de toevoeging in de stelling: “met andere woorden: de substantie maakt niet de VORM uit van de mens. Dit onderscheid wordt helaas wegvertaald door Vermeulen en Krop door formam hominem te vertalen met ‘wezensvorm’ (whatever that may be). Deze schijnbare tegenstelling werkt hij nogmaals verder uit in de laatste alinea van het scholium, waarin hij deze kwestie nog een expliciet en duidelijk stelt in de vorm van een dubbele ontkenning en – niet te vergeten- de absoluut positieve formulering: “Nee, ik heb gezegd … worden”. Deze laatste formulering is ook volledig consistent met, ja zo goed als gelijkluidend aan 2/37.

@Stan 11.16 Dat het attribuut volledig uit het beeld LIJKT te zijn, komt omdat ik me beperkt heb tot het onderwerp van de recente bloggen die gingen over de aard van de idee van God en de idee van de mens enerzijds en een idee als resultaat van het attribuut denken anderzijds. God is ook voor mij niet alleen een denkend ding, maar ook een uitgebreid ding. Denken en uitgebreidheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en alleen analytisch van elkaar te onderscheiden. Maar nu herhaal ik mijzelf (22-11-15; 22.23).

Adèle, ik ben eerder al gestopt met nog verder op je bijdragen te reageren, daar ik moest toegeven dat ik je vaak niet kan volgen. Ook nu weer. In je uitgebreide stuk stel je zeer vele zaken waar ik nader op in zou willen gaan, maar ik wil blijven bij wat ik in m'n eerste reactie aan de orde stelde: hoe jij het scholium bij 2/10c leest. Ik vraag me af of je Spinoza wel serieus neemt, als je het kernargument van zijn betoog waarom hij zo'n uitgebreide (en enigszins ingewikkelde) formulering van zijn definitie van essensite (2/Def2) gaf, eenvoudig wegpoetst: n.l. daar anders mensen maar zouden denken dat God tot de essentie van singuliere dingen - bedoeld vooral: mensen - zou behoren en dat is NIET het geval: "et tamen Deus ad earum essentiam non pertinent." Net als substantie niet tot de essentie van de mens behoort, maakt (uiteraard, de substantie) God niet de essentie van de mens uit. Je komt er niet mee weg met te menen dat Spinoza hier zeer omzichtig te werk gaat en hem op die manier juist het omgekeerde te laten beweren van wat hij doet: om "et tamen Deus ad earum essentiam non pertinent" kun je echt niet heen. Dit is precies wat Spinoza zegt en - voeg ik toe - ook aan jou wil zeggen.

De andere kwestie die je aan de orde stelt [de vertaling van formam hominem], leidt enigszins af; je zou nog eens goed naar de uitgebreide toelichting van Han van Ruler bij Vermeulens vertaling kunnen kijken.

Ik voeg er nog een vraag aan toe.
Mij ontgaat, Adèle, hoe je in 2/10s, laatste alinea, kunt lezen: "De essentie van de mens en een ding zijn niet vernietigbaar." [De verwijzing naar 1/17s, laatste alinea, laat ik hier liefst rusten, die vergt een aparte toelichting, waarover het hier al vaker is gegaan.] Maar die verwijzing in a.5 naar2/10cs: hoe kun je jouw lezing verantwoorden? Van belang daar je er een zware conclusie op baseert.

@Stan 18-11, 15.21
Stan je mag me dan niet kunnen volgen, maar je mag niet in twijfel trekken dat ik Spinoza niet serieus neem.
Het vraagstuk waar het denk ik om draait, wordt in de Ethica op verschillende plaatsen behandeld. En dat vraagstuk is hoe het mogelijk is dat een mens bestaat, vergaat en toch eeuwig is. Oftewel hoe Gods essentie in alles is, maar toch van een enkelvoudig ding niet de essentie vormt. Laten we dan 2/10s, laatste alinea, even laten rusten en ons afvragen wat dan wel die essentie is van die ene mens die niet vernietigd zou kunnen worden zonder ook het wezen van de andere mens te vernietigen en zonder welke die mens niet noodzakelijk zou bestaan. 2/def2, 1/17s. In ieder geval niet dat wat alle dingen gemeen hebben en wat in dezelfde mate in het deel en in het geheel is. 2/37. En ook niet ‘het zijn van de substantie’. 2/10. Maar blijkbaar wel een modificatie van de substantie, dat wil zeggen: een modus van het attribuut denken. 2/10c, 2/11. En dat kan alleen maar een gedachtevorm van God zijn, omdat dat de enige idee is die eeuwig is. En de schijnbare contradictie tussen het tegelijkertijd wel en niet eeuwig bestaan van enkelvoudige dingen, kan worden opgelost door dat wat blijft bestaan als de gedachtevorm van God te erkennen en dat wat vergaat als vorm van de mens te herkennen, die uiteenvalt in de overige samenstellende enkelvoudige dingen. Die samenstellende enkelvoudige dingen zie ik als dat ‘wat alle dingen gemeen hebben en wat in dezelfde mate in het deel en in het geheel is’. Ik hoop toch echt dat je me hierin kunt volgen, al hoef je het natuurlijk niet met me eens te zijn.

@Stan 19-11,12.16
2/10s: “De mens is de oorzaak van het bestaan, maar niet van de essentie van een andere mens (dat is een eeuwige waarheid) en daarom kunnen ze in essentie geheel overeenkomen, maar kan het niet anders dan dat ze in hun bestaan verschillen. Dus als het bestaan van de één ophoudt, zal daardoor dat van de ander niet ophouden en onwaar kunnen worden; maar als het wezen van de één zou kunnen worden vernietigd en onwaar zou kunnen worden, zou ook het essentie van de ander worden vernietigd.” Hier wordt dus duidelijk het onderscheid gemaakt tussen bestaan en essentie. Dit onderscheid is het waar de hele kwestie om draait. En van die essentie is niet de mens de oorzaak, maar God.

correcties: een keer 'niet' schrappen in de eerste zin van de eerste reactie. Het citaat van de tweede reactie komt uit 1/17s.

Adèle, laat me je alvast zeggen dat ik je hier goed kan volgen. Het is me - naar ik meen - duidelijk wat je schrijft. Antwoorden lijkt me nog niet zo eenvoudig. Daarmee wacht ik tot morgen - als ik weer ochtendfit en -fris hoop te zijn.

Daar er blijkbaar enige correcties nodig waren is de tekst van Adèle in een nieuwe redactie herplaatst. Ook het PDF is gewijzigd.

Mag ik een ochtendfris antwoord geven? Dat kan kort zijn. De nieuwe God van Spinoza is de "Idea Dei", als ik het goed begrijp. Daar is alles aan opgehangen. Dan lijkt me verdere discussie verspilling.

@Adèle
Ik vrees dat het heel moeilijk wordt om je mee te krijgen in een héél andere lezing van Spinoza dan jij doet en waarin je je blijkbaar vastbijt.
Ook al lijk je in je reactie van 19-11-2015 @ 18:53 mee te gaan met de stelling dat “God toch van een enkelvoudig ding niet de essentie vormt”, meteen zeg je dat je de laatste alinea van 2/10s wilt laten rusten. Dat geeft toch te denken dat je wat daar staat anders wilt lezen. Zoals ik het lees hang je je hele lezing van Spinoza op aan wat je uit het scholium bij 1/17 meent te lezen.
In 1/17s lees je dat Spinoza de mens een eeuwige essentie toekent en vanuit die overtuiging lees je de rest van Spinoza. Nu is 1/17s een notoir moeilijke tekst, waar ook vele Spinozageleerden ingetuind zijn. Daarover is het in dit blog vaker gegaan. Je bevindt je wat dat betreft in een goed en groot gezelschap. Nu hád Spinoza daar wel iets duidelijker kunnen zijn, m.n. wat betreft het middengedeelte van zijn betoog. Uit het begin kun je nog wel goed opmaken dat hij een contrafactische redenering opzet (hij laat de consequenties zien van als je ervan uit gaat dat Gods verstand tot zijn wezen zou behoren; hetgeen bij Spinoza niet het geval is). Dat Spinoza in de passage die jij aan het eind citeert, eveneens niet zijn eigen gedachte weergeeft, kan alleen beseft worden uit wat Spinoza schrijft in teksten waar hij duidelijk z’n eigen ideeën geeft. Als je weet dat Spinoza het woord ‘mens’ als een abstracte algemene notie ziet, die voor iedereen een andere inhoud heeft (en waar iedere filosoof dus z’n eigen zgn. definitie geeft), dan weet je dat hij nooit een soort-essentie-definitie van ‘de mens’ zal geven. Als je tot je hebt laten doordringen dat bij Spinoza (afgezien van God, wiens bestaan met z’n essentie samenvalt) alleen particuliere/singuliere dingen een essentie hebben (vandaar 2/Def2), dan helpt dat om te zien dat hij binnen z’n contrafactische betoog in 1/17s niet z’n eigen visie geeft, maar de manier van denken van de opponenten volgt die hij blijkbaar in gedachten heeft. Hij geeft daar de traditionele scholastieke en niet z’n eigen leer. Nogmaals, hij hád dat beter wat duidelijker kunnen laten uitkomen.
Ik ben benieuwd of je je voor die omkering van je benadering kunt openstellen. Je zult dan Spinoza op andere plaatsen (b.v. in 2/10cs) niet ‘verwringend’ gaan lezen om hem in je interpretatie van 1/17s te laten passen.
Tot slot citeer ik een passage uit een artikel van Henk Keizer dat komen gaat. Vraag je eens af: “Waarom zou Spinoza in deel V van de Ethica (E5p23) via een moeizaam bewijs willen aantonen dat een deel van de essentie van de menselijke geest eeuwig is, als hij eenvoudigweg had kunnen zeggen, onder verwijzing naar E2p8: een deel van de essentie van de menselijke geest is eeuwig, want de essentie van de menselijke geest is immers eeuwig?”

Er valt nog over heel veel in je betoog te zeggen, maar ik meen dat ik hier de kern te pakken heb.

Daar er blijkbaar ook hierna nog enige correcties nodig waren, is de tekst van Adèle in een nieuwe redactie herplaatst. Ook van het PDF zal een nieuwe versie worden geplaatst.

Tip: aan het eind van de voorrede bij deel 3 van de Ethica geeft Spinoza zijn natuurwetmatig standpunt weer. Misschien blijkt daaruit dat jullie lezing van Spinoza dezelfde is maar door jullie wat verschillend verwoord wordt.

Bas, je hardnekkige wens om een steentje te willen bijdragen (ook al heb ik onlangs een bijdrage die je tot 3x toe inbracht gewist) kan ik wel waarderen. En ik herlees graag elke tekst van Spinoza waarheen een mede-discussiant me brengt. Maar ik zie niet in wat de betreffende tekst bijdraagt aan de onderhavige discussie.
En let wel Bas, dit is geen uitnodiging om je ellenlange hier te plaatsen.uitweidingen en omwegen via Einstein en Darwin etc. Alleen reacties die bij het onderwerp in kwestie blijven (en dit is een heel breed onderwerp met vele aangrijpingspunten) zijn welkom.

Stan misschien brengt het jou niet maar een mede discussiant wel tot tegenwerpingen of overeenstemmende gedachten. Ik voer Darwin en Einstein slechts in omdat ze het natuurwetmatig grondbeginsel van Spinoza praktisch hebben gevolgd en aanvaardbaar hebben gemaakt. Het voegt ontwikkelde wetenschappelijke kennis toe waardoor we Spinoza's kennisleer en methode nog meer kunnen bewonderen en als voorloper ervan in een moderne context begrijpen. He onderhavige onderwerp is, zoals je zelf zegt heel breed met vele aangrijpingspunten.
Dat opeens uitsluiten van mensen die aan de discussie hebben bijgedragen is volkomen ongegrond. Je kunt op zijn minst inhoudelijk ingaan op die punten waarop je vindt dat mijn bijdragen niet to the point zijn. Maar die normale omgangsvorm pas je bij mij om onbekende reden niet toe.

Bas, ik heb je mijn redenen vele malen en voldoende duidelijk gemaakt. Uit de reacties in mijn mailbox krijg ik genoeg klachten over jouw bijdragen om te weten dat ik niet de enige ben die mij eraan erger. Laat dit genoeg zijn - over naar de inhoud.

@Stan
De manier waarop ik de Ethica lees is, heeft nooit 1/17s als uitgangspunt gehad, laat staan 2/10s. Wat ik heb gesteld kan ook uit enkele hoofdstellingen worden bewezen. Dat heb ik niet gedaan omdat ik dan voorzag dat de lezers van het blog het maar een speculatief en vaag verhaal zouden vinden. En ik ‘bijt me daar’ niet minder of meer in vast dan jij en Henk doen in jullie heftige discussies. Het is een inzicht dat in een synthetische vorm, niet in een analytische vorm, is gegroeid. Het is zo vanzelfsprekend voor me dat ik bijna niet kan geloven dat anderen daar moeite mee hebben. En die onnozelheid mag je me best aanrekenen. Dat inzicht wilde ik delen. De bewijsvoering kwam pas later, toen er weerstand bleek te zijn. In het algemeen is het denk ik beter om geen veroordelende uitspraken over elkaar te doen op een openbaar platform, maar in plaats daarvan elkaar vragen te stellen. Ik waardeer het daarom zeer dat je een gastblog voor mijn bewijsvoering hebt ingeruimd en de moeite hebt genomen om je erin te verdiepen.

Het contrafactische zie ik ook heel duidelijk in 2/10s, maar nauwelijks in 1/17s. Ik kan me heel goed voorstellen dat je de bewijsvoering in 1/17s, die uitloopt op het benadrukken dat Gods verstand en het onze alleen in naam overkomen, ziet als ondersteuning van jouw visie. Maar dan ga je er wel aan voorbij dat het hier gaat om een bijkomende toelichting op een van de twee afgeleide conclusies van de hoofstelling, en dat ook hier weer – nu aan het begin van diezelfde een na laatste zin – heel duidelijk staat “Gods verstand is de oorzaak van zowel de essentie als het bestaan van ons verstand;…” De reden waarom Spinoza, volgens mij althans, niet eenvoudigweg heeft kunnen zeggen dat een deel van de essentie van de menselijke geest eeuwig is, ligt hem hierin dat 1. essentie ondeelbaar is, 2. die essentie in de mens en alle andere dingen potentieel is: dat wil zeggen dat die nog niet gemanifesteerd is zoals God als eerste oorzaak dat wel is. Vandaar het ingewikkelde manoeuvreren met paradoxale uitspraken. De mens is in essentie God, maar tegelijkertijd ook (nog) niet. De essentie en het bestaan van ons verstand is daarom zowel veroorzaakt door Gods verstand, als dat het er mijlenver van verschilt. Ik kan alleen maar speculeren naar de redenen waarom hij die potentie van alles wat werkelijk bestaat niet verder heeft uitgewerkt. Ik denk dat het hoofddoel van de Ethica is geweest om enerzijds de wetenschap te bevorderen, en anderzijds om wetenschap en religie bij elkaar te houden. En dat laatste om te voorkomen dat de wetenschap zou afglijden naar een liefdeloos en inhumaan materialisme. Dat zou verklaren waarom substantie en het natura sive deum centraal staan, en waarom de ethische taak om je te bevrijden van vooroordelen en verbeeldingen vanuit de intellectuele liefde tot God, als alternatief voor bijbelvastheid aangeboden wordt. De Ethica was zo al controversieel genoeg, laat staan wanneer stelling 18: ‘God is een immanente, maar niet de voorbijgaande oorzaak van alle dingen’, centraal zou hebben gestaan. Want stel je voor: dat de mens in essentie God is! Wat een blasfemie! En hoe gevaarlijk in politiek opzicht zou dat zijn geweest: het enige wat echt van je geëist werd in die tijd in de Nederlanden was dat je in God geloofde. Verder was je vrij te geloven wat je wilde en dat te praktiseren, zolang het maar geen aanstoot gaf. Dat was de basis waarop de conatus van de Nederlandse Republiek zich kon doorzetten. Maar hiermee zeg ik niets nieuws, wat ook wel eens mag toch?

Adèle, een vraag.
Kun je mij het contrafactische dat je in 2/10s ziet ("heel duidelijk" zelfs) misschien duidelijk maken? Laat mij zien wat mij ontgaat.

Stan,
Jammer dat de klagers je als partijdige woordvoerder, van klachten die aan mij niet bekend zijn, laat gebruiken. Die mailbox anonimiteit is toch niet van deze tijd? Het beperkt de waarde van de discussie op je blog tot een selectief gezelschap.

Stan,
Overigens Adèle lezing van de Ethica komt met lezing van de Ethica overeen. Ik verwoord het slechts in natuurkundige en bredere context

mijn aan lezing toevoegen

Oké, Bas, als jou lezing identiek is aan die van Ad1ele, kan ik mij geheel aan haar wijden en hoef ik naar jou niet om te zien.

Ik stel voor dat Adèle haar synthetische interpretatie van 'enkele hoofdstellingen' van Spinoza blijft koesteren en dat daarmee de discussie op dit blog kan worden afgesloten. Maar het is natuurlijk aan Stan.

Nog even Henk. Ik doe nog een enkele poging en als er geen beweging (bij wie ook) komt, zullen we vanzelf stoppen.

Adèle, terwijl je wellicht nog op het antwoord op mijn vraag broedt, moet ik je intussen al enigszins verontrusten. Doordat je zoals je zegt het contrafactische van 1/17s nauwelijks ziet, klamp je je vast aan de uitspraak die je citeert: “Gods verstand is de oorzaak van zowel de essentie als het bestaan van ons verstand;…” Dat staat daar inderdaad “heel duidelijk”, maar het is NIET Spinoza’s eigen opvatting, maar de opvatting die hij onderuit aan het halen is.
Spinoza’s eigen opvatting lees je b.v. in 1/16c: “God is de werkoorzaak van alle dingen die een oneindig verstand kan bevatten (cadere possunt).” Later toont hij aan dat het oneindig verstand net als alle verstanden tot de natura naturata hoort [1/31]. In het tweede deel zal hij steeds laten zien dat ideeën formeel uit Gods attribuut denken voortkomen en als object van het verstand begrepen worden.
Dat de geciteerde zin NIET Spinoza’s eigen opvatting weergeeft, kun je heel goed ontlenen aan het begin van zijn gedachtenexperiment, waar tot de door hem verworpen denklijn hoort: “de waarheid en het formele wezen ontlenen de dingen daarentegen aan hun bestaan als object in Gods verstand. Gods verstand, gedacht als iets wat Gods wezen vormt, is daarom in werkelijkheid de oorzaak van de dingen, zowel van het wezen als het bestaan.”
Dit moet iedereen meteen ervaren als vloeken binnen Spinoza’s filosofie: uitgebreide dingen ontstaan niet vanuit het denken! Daaraan is heel duidelijk te zien dat Spinoza hier niet z’n eigen zienswijze aan het geven is, maar die welke hij bestrijdt. Dat geldt ook aan het eind. Met de door jou aangehaalde zin geeft Spinoza NIET zijn eigen visie. Ideeën ontstaan formeel uit het attribuut denken en worden door het verstand begrepen. God en niet Gods verstand is de oorzaak van zowel de essentie als het bestaan van ons verstand.

Stan, ik zie het zo, en baseer me op 2/7c. Het formele aspect van ons verstand volgt uit het attribuut en het objectieve aspect uit 'de idee van God' en in het verlengde daarvan het oneindige verstand. Dat geldt niet alleen voor ons verstand maar voor de geest van alle individuele dingen (Spinoza gebruikt die uitdrukking minstens drie keer, 2/12d, 13s, Ep. 66). Maar eventueel verschil van mening hierover wil ik laten rusten.
Als je, niet jij, eraan vasthoudt dat ook uitgebreide dingen uit Gods verstand volgen, dan heb je er gewoon niets van begrepen.

Laten we je resultaat eens invullen, Adèle:

"De mens" bestaat bij Spinoza niet. Dus God bestaat ook niet?

Of tweede invuloefening: "De mens is het volstrekt oneindige zijnde, dat wil zeggen een substantie die uit oneindige attributen bestaat, die elk voor zich de eeuwige en oneindige essentie uitdrukt.

Zie je niet dat je hoe je het ook wendt of keert, op onzin uitkomt?

Adèle,
Ik zou even op een punt van je betoog willen ingaan waar nog geen reactie op kwam: je stelling dat "het bewustzijn bewust blijft voortbestaan na de dood". Wat bedoel je daarmee? Spinoza zegt in E5 uitdrukkelijk dat we ons slechts iets kunnen herinneren zolang het lichaam bestaat. Dus ons eeuwig leven is er een zonder herinnering. In E4 schrijft Spinoza in 39s over een Spaanse dichter die zijn geheugen kwijt was, dat hij niet meer als dezelfde persoon kan beschouwd worden. Hoe rijm je dit met een bewust voortbestaan na de dood? Of wat bedoel je hier met "bewust"?

Nog een bedenking over 1/17s. Ik ben het er mee eens dat het een contrefactisch bewijs is, maar dat impliceert niet dat al wat in het bewijs voorkomt, tegengesteld is met Spinoza's mening (wie hier aan twijfelt moet maar eens een paar van dergelijke bewijzen uit de wiskunde bekijken). Dus de passage (eigenlijk een hulpstelling) die gaat over de essentie van de mens kan heel goed wel een volgens Spinoza correcte stelling zijn. Er zijn trouwens meerdere secundaire auteurs die menen dat Spinoza naast "particuliere essenties" ook het bestaan van meer algemene essenties (zoals de essentie van de mens) aanneemt. De definitie in E2 lijkt dit op het eerste zicht uit te sluiten, maar ik ben het met Bennett eens dat logisch gezien dit een nietszeggende definitie is.

Mark, ik heb nu, na een verjaardag, geen 85, niet de moed om het na te gaan zoeken bij Bennett, maar ik meen dat hij zegt, of dat het er op neer komt, dat in de definitie een ding en zijn essentie aan elkaar gelijk worden gesteld. Dus 'logisch een nietszeggende definitie'. Is dat wel zo?
Als een ding er is (bestaat), is er zijn essentie (zijn kracht tot zelfbehoud of voortbestaan). Als zijn essentie er is (kracht tot zelfbehoud of voortbestaan), dan is er het ding (bestaat het ding). Essentie en bestaan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is geen essentie zonder dat het ding bestaat en omgekeerd. Dit is nu eenmaal het principe van een noodzakelijke en voldoende voorwaarde. Misschien meent Bennett dat de kracht tot voortbestaan hetzelfde is als bestaan. Maar 'logisch' is dat niet het geval. Iets kan bestaan zonder een kracht tot voortbestaan te hebben en volgens al Bennett's collega Spinoza scholars kan er een kracht tot voortbestaan zijn zonder dat het ding bestaat (eeuwige essenties!) Op zijn minst zegt de definitie dat er geen essentie van een ding kan zijn zonder het bestaan van het ding. Dus geen eeuwige essenties en geen essenties van de soort bij Spinoza.

Ik weet het, het is een zijstap in de discussie van het blog, sorry, maar zij is mij in dit geval wel zo lief.

Is toch terug te buigen naar een hoofdpunt in de discussie: 1/17s. Een reactie op Mark: natuurlijk kunnen er in een contrafactische redenering wel uitspraken zijn die de mening van Spinoza weergeven, maar ik meen dat de uitspraak die doet veronderstellen dat er een algemene essentie van de soort is daar niet toe behoort. Je geeft zelf aan dat Spinoza's definitie van essentie het tegenspreekt. Ik meen dat die definitie niet 'logisch nietszeggend' is. Kun je aangeven op welke plaats Bennett die uitspraak doet?

Nou jongens, jullie hebben me wel aan het werk gezet.

@Stan 20-11: 14.19
Ik beperk me voor de duidelijkheid even tot 2/10s, laatste alinea. Het gedeelte dat in het Latijn achter de puntkomma staat is in de vertaling van Corinna Vermeulen een nieuwe zin: “Nee, ik heb gezegd …worden.” Dit is taaltechnisch volkomen verantwoord en zij blijft op die manier dicht bij het origineel. Het contrafactische omslagpunt ligt precies daar: voor de puntkomma in het Latijn geeft Spinoza weer wat hij wil bestrijden, daarachter - waar in de vertaling de nieuwe zin begint - geeft Spinoza weer wat zijn eigen opvatting is. Ik zou niet weten hoe je dat anders zou moeten lezen, tenzij je zoals Henri Krop doet aantoonbaar je eigen interpretatie oplegt aan de brontekst.

@Stan 20-11: 15.41
Het zal je misschien verbazen, maar ik ben het voor een belangrijk deel met je eens. Alleen denk ik dat je iets over het hoofd ziet.
Om met 1/31 te beginnen: de argumentatie van Spinoza begrijp ik zo dat er blijkbaar een denken-op-zich bestaat dat onderscheiden wordt van een feitelijk denken. Dat laatste is een modus van het attribuut denken en behoort daarmee tot de genatuurde natuur. Het eerste is de essentie van het denken. Het attribuut denken drukt die oneindige en eeuwige essentie van het denken uit. (Zie ook 1/32). Dat denken-op-zich behoort dus tot de naturende natuur. Dat-denken-op-zich, oftewel de essentie van het feitelijke denken, brengt dus wél alle uitgebreide dingen voort. En God is daarvan dan uiteraard de werkoorzaak. En inderdaad: het feitelijke verstand, eindig of oneindig, doet dat niet. Daarin zijn de ideeën formele objecten. Als ik zeg dat de mens in essentie een gedachtevorm van God is, zeg ik dan ook dat hij in essentie een modus, of vorm, is van de essentie van het denken van God.
In 1/17s wordt de argumentatie van 1/31 nog eens dunnetjes over gedaan. Het enige contrafactische wat ik daar zie is de zin waarmee, in de vertaling van Corinna Vermeulen, de laatste alinea van de toelichting begint: “Als het [feitelijke] verstand … En dat weerlegt Spinoza onmiddellijk in de volgende zin waarmee hij opnieuw zegt dat ‘de ware en werkelijke essentie van de dingen is zoals ze is, omdat ze objectief zo in Gods verstand bestaat.” Duidelijker dan Spinoza zelf kan ik het niet zeggen.

@Henk 20-11: 16.01
Proef ik terecht in jouw benadering de behoefte om het gedachtegoed van de Engelse taalfilosofen erin te houden? Door zowel het formele als het objectieve aspect van het verstand te laten volgen uit het attribuut denken wordt alles namelijk een ‘taalspel’. En ja, daar volgen dan natuurlijk geen uitgebreide dingen uit. Maar die doen dat wel volgens 2/7c : ‘alles wat werkelijk [formeel] uit de oneindige natuur van God volgt, dat alles volgt objectief [inhoudelijk] uit de idee van God, in dezelfde volgorde en in hetzelfde verband.’

@Mark Behets 20-11: 18.00
Met je vraag naar het bewust voortbestaan na de dood, verwijs je denk ik naar 5/21. In 5/23b zegt Spinoza, althans in mijn interpretatie, dat herinnering het gevolg is van het ervaren van tijd, nauwkeuriger gezegd: van door tijd gedefinieerde duur, en dat het ervaren van tijd alleen bestaat zolang een mens een lichaam heeft. Het ervaren van tijd is dus een functie van het brein. Heeft de mens geen lichaam meer dan vervalt niet duur, maar wel het ervaren van tijd. 5/23b (Men ervaart dan wat door anderen ‘het eeuwige nu’ wordt genoemd, als ik zo vrij mag zijn dat er zo bij te halen. Het is denk ik ook vergelijkbaar met het niet ervaren van tijd in dromen).
De mens kan die duur blijven ervaren omdat de mens verder behoudt: “ …een zekere modus van denken die tot de essentie van de geest behoort en die noodzakelijkerwijs eeuwig is.“ 5/23s We behouden dus iets van de geest, namelijk de idea ideae die een denklichaam is. 2/def1 Let wel: Spinoza zegt ‘tot de essentie van de geest behoort’, niet ‘die de essentie van de geest ís’. De idea ideae heeft als functie te komen tot kennis van de tweede en derde soort en ‘behoort’ daarom tot de essentie van de geest. Ik denk dat de essentie van de geest zelf, die noodzakelijkerwijs eeuwig is, de idea Dei is die op haar beurt noodzakelijk en direct het denken-op-zich uitdrukt.
Ik denk ook dat waar Spinoza het in 5/22b heeft over ‘een zekere eeuwige noodzaak’ van het voortbestaan van de essentie van het lichaam, hij het heeft over de idea ideae. De functie van dat denklichaam (reflectie op bewuste ervaringen en ideeën) is strikt genomen beëindigd wanneer de derde soort van kennis volledig gerealiseerd is (want de werkelijkheid, waarheid of God wordt dan direct ervaren). Ook dat kan dan ontbonden worden, maar het gewonnen bewustzijnsaspect (de intuïtie) blijft wel eeuwig bestaan. (Dit is de zogenaamde ‘tweede dood’, als ik zo vrij mag zijn dat erbij te halen). Dus 5/24: “Hoe meer we de enkelvoudige dingen begrijpen, des te meer begrijpen we God”, betekent volgens mij: hoe meer we de essentie van de geest kennen, hoe beter we onszelf als essentie van God realiseren en hoe bewuster we blijven voortbestaan na de dood.

@Mark Behets 20-11: 18.10
Dank je voor wat je hier zegt over wiskundige bewijzen. Als je met ‘de opvatting van meerdere secundaire auteurs’ doelt op de opvatting dat de mens een algemene goddelijke essentie deelt met anderen en daarnaast beschikt over een individuele essentie, dan zou ik je graag verwijzen naar het ondeelbare karakter van de essentie. Er is maar één substantie en dus maar één essentie, maar dat wel van modi van verschillende gradaties van verwerkelijking en van verschillende enkelvoudige dingen. Dat betekent dat die essenties niet naast elkaar bestaan, maar dezelfde essentie zijn in verschillende modi. (Vergelijk het sap in een sinaasappel versus de afzonderlijke partjes).
Met ‘de definitie in E2’ verwijs je denk ik naar 2/def2. Voor mij is dit een zeer veelzeggende definitie, zoals je al wel uit de discussie met Stan over de interpretatie van 1/17s en 2/10s zult hebben begrepen. Maar voor mij bevestigt 2/def2 juist dat de goddelijke essentie bestaat in alles wat werkelijk bestaat.

@Passant 20-11: 17.29
De onzin die je hebt gekregen is het gevolg van de dingen die je hebt invult, maar dat zijn niet de dingen die ik gezegd heb. Over je tweede invuloefening: ik heb gezegd dat de mens in essentie God is. Zodra de mens die essentie volledig gerealiseerd heeft, is hij uiteraard geen mens meer, maar God. Net zoals wanneer een amoebe zich geëvolueerd heeft tot een mens, hij geen amoebe meer is.

@Henk Keizer 21-11: 00.40
Toch gefeliciteerd Henk.
Volgens 1/20 zijn Gods bestaan en zijn essentie een en hetzelfde, en volgens 1/24 houdt de essentie van de door God voortgebrachte dingen het bestaan niet in. Dit is zo omdat alleen God oorzaak van hun bestaan kan zijn. Maar dat wil toch niet zeggen dat er dus geen eeuwige essentie bestaat, en dat er dus geen eeuwige essentie zou bestaan in de dingen die door God zijn veroorzaakt?

Henk en Mark,
Laat mij hier behulpzaam zijn. Je vindt bij Bennett op blz. 61 deze passage over 2/D2:

The definition is poorly stated, but it is clear what Spinoza means it to say: the essence of x is that property which must be posessed by x and cannot be possessed by anything else - it is a qualitative necessary and sufficient condition for something's being x. (Spinoza's definiens, which omits /property' and 'qualitative', implies that the essence of x is x, so that 'the essence of' means nothing).

Mij lijkt het een te wat te gemakkelijk gedane, niet overtuigende uitspraak, vooral daar Bennett zelf al aangeeft dat heel goed duidelijk is wat Spinoza bedoelt.

@Adèle, dank, en je hebt er werk van gemaakt.
In volgorde.
@Stan(1). Inderdaad, voor de puntkomma schrijft hij wat hij afwijst. En dat is: dat God deel uitmaakt van de essentie van iets. Daarna komt zijn eigen opvatting: zodanige definitie dat God geen deel uitmaakt van de essentie van een ding. Is overigens geen contrafactische redenering.
@Stan(2). 'Er is blijkbaar een denken-op-zich'. Corinna Vermeulen vertaalt 'denken op zich', maar 'absolutam cogitationem' is 'het absolute denken' en daarmee bedoelt Spinoza het attribuut. Het attribuut Denken behoort tot de 'naturende natuur', maar brengt daarom nog niet alle uitgebreide dingen voort! Dit is zo vreselijk vloeken in de kerk van Spinoza. Ook het attribuut Uitgebreidheid behoort tot de 'naturende natuur' en daaruit volgen alle uitgebreide dingen, uit het attribuut Denken volgen alle ideeën. Die uitgebreide dingen volgen uit het oneindige verstand als je veronderstelt dat het oneindige verstand tot Gods wezen behoort (1/17s). Maar dat doet het dus niet in de theorie van Spinoza. Dat is de contrafactische redenering die hij opzet en waar jij intrapt. Laatste alinea 1/17s: 'dus Gods verstand, voor zover we ons voorstellen DAT HET GODS ESSENTIE UITMAAKT, verschilt enz.' Die veronderstelling heeft hij tot dan toe gevolgd, om aan te kunnen geven dat Gods verstand NIET deel uitmaakt van Gods essentie.
@Henk(1) Het formele aspect van het verstand volgt uit het attribuut ('Gods oneindige natuur'), het objectieve aspect volgt uit de idee van God. Dat zegt 2/7c. Uitgebreide dingen volgen formeel uit Gods oneindige natuur en wel uit het attribuut Uitgebreidheid.
@Mark(2). Je kunt zeggen dat de essentie van een ding een modificatie is van Gods essentie. Maar zoals een modus niet God is, zo is een modificatie van Gods essentie niet Gods essentie.
@Passant: 'Tot het wezen van de mens behoort niet het substantiële zijn, met andere woorden: de substantie maakt niet de wezensvorm van de mens uit.'(2/10). En jij maar volhouden dat de mens in wezen God is.
@Henk(2) Uit 1/24 kun je niet afleiden dat er geen eeuwige essentie bestaat. Dat leid ik daaruit ook niet af. Maar je kunt het (onder andere) wel afleiden uit 2/def2. Daar staat: als een ding niet bestaat, is er geen essentie van het ding.

Adèle, ik kan bewondering opbrengen voor je beantwoording van de vele objecties, waarmee je laat merken hoe diep je in Spinoza doorgedrongen bent; alleen blijkt er almaar meer - nog meer dan uit je blog-tekst - ook uit dat je een zekere m.i. nogal ideosyncratische interpretatie opgebouwd hebt, waaraan je consisten vast houdt, dat wel.
In je antwoord op mijn reactie @Stan 20-11: 15.41 schrijf je dat ik "iets over het hoofd zie", maar mij werd niet duidelijk wat dan. Als je daarmee bedoelt wat je vervolgens schrijft, "Dat-denken-o p-zich, oftewel de essentie van het feitelijke denken, brengt dus wél alle uitgebreide dingen voort." Ja, dat zie ik over het hoofd. Ik begrijp volstrekt niet waar je dit in Spinoza gelezen kunt hebben. Hiermee zit je er zó ontzettend naast!

Uit watje verder over 1/17s zegt, zie ik dat je - hoewel je zegt 't voor een belangrijk deel met me eens te zijn - vasthoudt aan je lezing en dat je het contrafactische volledig ontgaat. Je weigert om te zien dat Spinoza op de zin die jij als zijn eigene citeert en waarbij je zegt "Duidelijker dan Spinoza zelf kan ik het niet zeggen" kijk je niet naar de direct daarop volgende zin, waarin Spinoza haarscherp duidelijk maakt dat hij nog steeds met z'n denkexperiment over de z.i. verkeerde opvatting bezig is: "Daarom is Gods verstand, VOOR ZOVER WE ONS VOORSTELLEN DAT HET GODS ESSENTIE UITMAAKT, in feite de oorzaak van de dingen, zowel van hun essentie als van hun bestaan." Ook in je reactie van 20-11-2015 @ 14:09 ging je aan de door mij in hoofdletters geplaatste tussenzin voorbij en citeerde je doodleuk het laatste deel van de zin als Spinoza’s eigen mening. Zo komen we nergens. Ik geef het op.
Ik wil alleen nog kwijt een soort plaatsvervangende schaamte te ervaren als ik in je antwoord aan @Henk 20-11: 16.01 lees dat jij uit 2/7c zegt te lezen dat uitgebreide dingen uit de idea Dei volgen. Dit kan echt niet als een serieuze Spinoza-lezing gelden. Nogmaals, ik geef het hierbij definitief op.

Stan, dank voor je behulpzaamheid. Een niet overtuigende uitspraak, zeg je. Je mag het wel sterker formuleren wat mij betreft. Omdat Spinoza de essentie niet omschrijft als een 'qualitative property' deugt de definitie niet. Spinoza laat in de definitie in het midden wat de aard van een essentie is. Hij geeft een FORMEEL kenmerk of criterium waaraan een essentie moet voldoen. Voor de essentie van een ding moet gelden: als ze er is, bestaat het ding, als ze er niet is, bestaat het ding niet. Of anders geformuleerd: als het ding bestaat, is er de essentie, als het ding niet bestaat, is er geen essentie. De conatus van een ding, een qualitative property, voldoet aan deze definitie. Daaruit volgt al dat de definitie niet impliceert dat de essentie van x gelijk is aan x.

Ik moet Henk bijvallen Adèle, je hebt er werk van gemaakt. Bedankt daarvoor. Je interpretatie van Spinoza is in ieder geval origineel, d.w.z. we zien deze weinig op dit blog. Maar ze is zeker van hoog niveau. Doet me denken aan een uitspraak van De Dijn op de VHS jaarvergadering een jaar of twee geleden: het feit dat er zoveel verschillende interpretaties zijn, bewijst juist dat Spinoza een groot filosoof is.
Om op je repliek in te gaan:
- M.b.t. het “bewust voortbestaan na de dood”. Zoals ik verwachtte geef je een andere interpretatie aan “bewust” dan de dagdagelijkse. Ik weet niet of ik je goed begrijp, maar is volgende parafrasering juist?
Zolang we geen kennis van de derde soort hebben, vormen de idea ideae onze enige vorm van bewustzijn. Daarna is dit soort bewustzijn overbodig, want in de 3e kennissoort ervaren we direct de werkelijkheid, en dit is een hogere graad van bewustzijn. Mag ik ook concluderen dat deze hogere graad van bewustzijn wel volledig onpersoonlijk is, even onpersoonlijk als de God van Spinoza?

- M.b.t. de “essentie van de mens”. Ik had uit (jouw samenvatting van) Lucia Lermond begrepen dat zowel de essentie van het individu als de essentie van de mens ens realia zijn, wat ik lees als afzonderlijke essenties (juist zoals de eindige modi afzonderlijke dingen zijn en tegelijk toch behoren tot de substantie, al is de substantie ondeelbaar). Maar waarschijnlijk bedoelen we hetzelfde, en mogen we niet in de val trappen van het mekaar tegenspreken hoewel we hetzelfde bedoelen.

@Henk en Stan
Bedankt Stan voor het opzoeken van het Bennett citaat. Ik zal nog één poging wagen om Henk te overtuigen dat hij m.i. de consequenties er van niet inziet (mogelijk omdat de vertaling van E2d2 bv. bij Krop niet correct is).
1. Zoals Bennett terecht zegt, stelt 2d2 letterlijk genomen en logisch-analytisch gezien dat de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn. Om er een zinnige betekenis aan te geven, moet je trachten te interpreteren wat wel de bedoeling kan zijn. Bennett geeft die m;i; correct weer: essentie is een eigenschap die het ding moet hebben en die geen enkel ander ding kan hebben.
2. De fout in Henks redenering is dat hij die eigenschap (inderdaad de individuele conatus) ziet als iets wat kan bestaan zoals het ding (eindige modus) bestaat, en dat hij meent dat 2d2 over dit bestaan gaat. Maar: 2d2 gebruikt nergens het woord existere (bestaan), maar wel ponitur (wordt gesteld), tollitur (wordt opgeheven), esse (zijn) en concipi (geconcipieerd worden). Dit woordgebruik is volkomen terecht (en Krop gebruikt in zijn vertaling verkeerdelijk het woord “bestaan”): een eigenschap is niet iets wat kan bestaan zoals een ding bestaat (met een eindige duur). Een eigenschap is iets (essentie), maar heeft geen existentie. 2d2 zegt dus: zonder de individuele conatus kan een ding niet ZIJN (esse) en omgekeerd. 2d2 zegt niet: zonder de indivuele conatus kan een ding niet BESTAAN (existere), en omgekeerd.
Tot slot Henk: ik ben het eens met de conclusie van je te verschijnen artikel: essenties zijn niet eeuwig in de zin dat ze onderscheiden eeuwige modi zijn. Essenties zijn geen modi (want ze hebben
geen existentie), maar ze zijn wel eeuwig in een andere zin (zoals je ook schrijft in dit artikel). Je kan echter van essenties niet zeggen dat ze bestaan, bestaan hebben, niet meer bestaan... want bestaan (existentie) is niet van toepassing op essenties.

@Mark Behets 21-11-2015 @ 15:08 jouw zien van een verschil tussen ZIJN (esse) en BESTAAN (existere) gaat mij ietwat boven de pet. Kun je dit wellicht nog iets toelichten

Stan, ik kan niet geloven dat dit jou boven de pet gaat, je hebt hier al veel moeilijker stellingen uit de doeken gedaan. Ik bedoel niets meer dan wat Spinoza er mee bedoelt, bv. als hij schrijft dat Gods essentie zijn existentie impliceert, maar dat dit voor particuliere dingen niet het geval is. Ik geef wel toe dat je plaatsen in de Ethica kan vinden waar Spinoza bv. existeren schrijft waar hij eigenlijk esse bedoelt, zoals wij ook ook vaak doen (bv. als we zeggen dat een vierkante cirkel niet bestaat, bedoelen we dat een vierkante cirkel niet kan zijn (onmogelijk IS).

Ik had uiteraard een bedoeling met mijn vraag, Mark. Ik wilde erop wijzen dat je in jouw bijdrage een verschil tussen ZIJN en BESTAAN leek te suggereren, maar dat ze eigenlijk hetzelfde zijn, zoals ik ook in je gevraagde toelichting lees.
"Essentie" is niet hetzelfde als "esse"; dat laatste komt in betekenis meer overeen met "existere". 'Zijn' en 'existeren' betekenen dus "hetzelfde" ofwel zijn naar betekenis én verwijzing identiek.
Met het volgende schrijft je dus eigenlijk onzin:
"2d2 zegt dus: zonder de individuele conatus kan een ding niet ZIJN (esse) en omgekeerd. 2d2 zegt niet: zonder de indivuele conatus kan een ding niet BESTAAN (existere), en omgekeerd."
Om daarop te wijzen ging het me.
En nu kan ik terug naar wat je over Bennett schrijft, n.l. dat volgens hem in 2/Def2 de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn. Dat betreft een verwarring met de notie 'identiteit' in een interpretatie die Bennett op wel meer plaatsen vertoont en die hem nogal parten speelt (b.v. bij zijn bespreking van de parallelliteit).
Een ding en z'n essentie zijn wel "één en hetzelfde ding", maar zijn niet "hetzelfde": ze verwijzen beide naar iets verschillends waardoor Spinoza in zijn essentie-definitie zowel een verschil maakt tussen én de nauwe samenhang benadrukt van 'essentie' en 'existentie'. Daarom geldt zijn definitie voor God (waarin beide noodzakelijk samenvallen) en de particuliere dingen (waarbij ze contingent samenvallen). Dat identiteit altijd samenhangt met, gepaard gaat met verschil, is iets dat Bennett kennelijk ontgaat.

Mark, ik gebruik de vertaling van Krop niet. En die poging gaat niet lukken.
1. Je zegt maar gewoon dat de definitie letterlijk genomen en logisch-analytisch gezien impliceert dat de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn. Maar dat is niet zo. Zoals gezegd, Spinoza formuleert een formeel criterium waaraan een essentie moet voldoen. Als Bennett gelijk heeft zou ALLEEN het ding zelf aan dat criterium voldoen. En dat is niet zo. Ook een eigenschap van het ding kan aan het criterium voldoen. Logisch-analytisch zijn in de definitie essentie en ding dus niet exact hetzelfde.
2. Dat is grappig. Ik heb het geen enkele keer over 'het bestaan' van een essentie. Spinoza heeft het over 'het gegeven zijn' (quo dato), het 'zijn' en 'het begrepen worden' van een essentie. In plaats van over 'het gegeven zijn' of 'het zijn' van een essentie spreek ik over het 'er zijn' van een essentie. Maakt het verschil voor de redenering? Geen enkel. Het leidt dus niet tot 'een fout in de redenering', het is een kwestie van terminologie. En ik denk dat op mijn woordgebruik niets is aan te merken: hoe je het ook wendt of keert, als een essentie 'is' dan is ze er.

Jongens, jullie ook bedankt voor de reacties. Ik kan daar om gezondheidsredenen voorlopig niet op reageren, tot mijn spijt.

Adèle, snel beterschap gewenst. Henk en Stan, ik ga het verder kort houden. Ik zie met Bennett essentie als een eigenschap. Zeggen dat essentie en ding "één en hetzelfde ding" zijn, kan dus voor mij niet want een ding is niet gelijk aan zijn (geheel van) eigenschap(pen). Zeggen dat op basis van 2d2 een essentie van een particulier ding niet eeuwig kan zijn, is dan evenmin correct. De eeuwigheid van een eigenschap is iets anders dan de eeuwigheid van een ding.

Mark, niet alleen Bennett en jij zien essentie als een eigenschap, nagenoeg iedereen doet dat.
Met de uitspraak van Stan ben ik het ook niet eens.
Je zegt niets over Bennett's en jouw uitspraak dat in 2/def2 essentie en ding hetzelfde zijn, want dan zou je moeten toegeven dat die uitspraak, zoals ik heb aangetoond, niet juist is. Of hou je gewoon vol dat de uitspraak juist is en daarmee klaar. Dat verschijnsel ken ik namelijk ook.
En Mark, vertel jij me dan maar eens wat het verschil is tussen de eeuwigheid van een eigenschap en de eeuwigheid van een ding, behalve dat het in het ene geval om een eigenschap en in het andere om een ding gaat. En vertel dan liefst ook hoe een eigenschap van een ding eeuwig kan zijn als het ding dat niet is. Of is het misschien een eeuwige waarheid?
Adèle, beterschap.

Mark, dan nog een laatste poging m.b.t. 2def2, aangepast aan de terminologie die jouw voorkeur heeft. Maar ik maak me geen illusies.

Volgens tweede deel van de definitie:
Als de essentie niet 'is', 'is' het ding niet, als het ding niet 'is', 'is' de essentie niet.
Let op de tweede zin: als het ding niet 'is', 'is' de essentie niet. Kan de essentie van het ding 'zijn' zonder dat het ding 'is'? Dat lijkt me toch duidelijk: het antwoord is 'nee'.

@Mark,
Daar je op het door jou aangebrachte en door mij betwiste verschil tussen ZIJN en BESTAAN niet meer ingaat, neem ik aan dat je het met mijn benadering eens bent.
Merkwaardig vind ik vervolgens dat je op het door jou aangehaalde en door mij betwiste commentaar van Bennett, n.l. dat in 2/Def2 de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn, niet meer ingaat. In mijn verzet daartegen was ik wellicht wat kort door de bocht met te stellen "Een ding en z'n essentie zijn wel "één en hetzelfde ding", maar zijn niet "hetzelfde." Ik had beter kunnen aangeven dat ik Frege's onderscheid tussen 'betekenis' en 'verwijzing' probeerde toe te passen. Ik ben het met je eens: "een ding is niet gelijk aan zijn (geheel van) eigenschap(pen)."Beter had ik wellicht kunnen schrijven: "Een ding en z'n essentie verwijzen naar "één en hetzelfde ding". Waar het me om ging is om langs die weg te beklemtonen dat jij en Bennett nooit mogen zeggen dat "de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn", want ze BETEKENEN elk iets anders. Opmerkelijk vind ik dat je op de zaak waar het om gaat (mijn objectie tegen Bennetts opmerking) niet meer ingaat.

Stan, sorry, Bennett en Mark zeggen niet dat de essentie en de zaak exact hetzelfde zijn, ze zeggen dat in SPINOZA'S DEFINITIE VAN ESSENTIE de essentie van een ding en het ding logisch-analytisch gezien hetzelfde zijn. Het is een kritiek op deze definitie. Ik ga niet nog een keer uitleggen dat die kritiek, of de uitspraak dat in de definitie logisch-analytisch essentie en ding hetzelfde zijn, onjuist zijn. Zie daarvoor mijn reactie van 21-11-16.58 uur.

Henk en Stan,
Het polemische karakter van de laatste discussies op dit blog lijkt me nu toch wel een onproductief hoogtepunt bereikt te hebben, als het niet meer verder reageren op bepaalde punten systematisch wordt beschouwd als het ontvluchten van de discussie om geen ongelijk te moeten toegeven, als er vragen worden gesteld waarvan de vraagsteller zelf het antwoord weet …
Maar om te vermijden dat jullie deze inleiding ook als een opgave van de strijd zien, hierbij gevraagde reacties:
- In 2d2 zoals Spinoza ze formuleert (d.w.z. zonder de toevoeging dat essentie een eigenschap is) lees ik: “Tot het wezen van een zaak behoort naar mijn mening alles waarvan…” (vertaling Krop, en dit stuk van zijn vertaling volg ik wel). Als je alles neemt, dan neem je de eigenschappen, het bestaan… de hele zaak. De essentie van x is x. Bennett geeft m.i. geen verdere uitleg omdat dit voor hem vanzelfsprekend is.
- Is een essentie een eeuwige waarheid? Spinoza zegt dit nergens met zoveel woorden, behalve dan in 1/17, en daar moeten we voorzichtig zijn met de interpretatie gezien het contrafactisch karakter van deze passage. Naar mijn gevoel is het begrip “eeuwige waarheid” ook niet zo goed uitgewerkt in Spinoza’s filosofie. Spinoza stelt immers dat alleen de substantie en de modi bestaan. In ieder geval, een essentie is geen ding, en daarom kan Spinoza in E5 niet eenvoudig zeggen dat een deel van de geest eeuwig is omdat de essentie eeuwig is.

En om nu af te sluiten Henk: je bent niet ingegaan op mijn verwijzing naar je artikel dat stelt dat essenties niet eeuwig zijn “in de zin van onderscheiden eeuwige modi”. Je laat dus open dat essenties eeuwig zijn in een andere zin.

Mark, het spijt me, ik trek me uit de discussie terug. Waar je nu mee komt over 2d2 en Bennett, na alles wat er over gezegd is, doet voor mij de deur dicht. En als je dan ook nog voor 'alles waarvoor geldt' in de niet beste vertaling van Krop, gewoon leest als 'alles' zonder meer, dan heeft verder discussiëren over dit onderwerp geen zin.

Ik wil nog even verduidelijken wat Bennett bedoelt, omdat anders misschien een eigen leven gaat leiden dat de definitie niet deugt. Bennett bedoelt dat het ding zelf aan de definitie voldoet:
als het ding er is, is er het ding, als het ding er niet is, is het ding er niet. Maar dit is natuurlijk een triviale invulling. Belangrijk is dat het niet de ENIGE invulling is die de definitie toelaat. Er is ook een niet-triviale invulling. Ook een eigenschap x kan aan de definitie voldoen: als eigenschap x er is, is het ding er, als eigenschap x er niet is, is het ding er niet. Bennett heeft dus ongelijk als hij zegt dat de definitie IMPLICEERT dat de essentie van een ding hetzelfde is als het ding.

@Stan 21-11: 12.08 en Henk 21-11-12.01
Deze reactie hadden jullie nog te goed.

Stan je bezwaar tegen mijn lezing van 1/31 is terecht: ik heb de zin “ Dat-denken-op-zich, oftewel de essentie van het feitelijke denken, brengt dus wél alle uitgebreide dingen voort.” verkeerd geformuleerd. Met ‘brengt dus wél alle uitgebreide dingen voort’ wilde ik het begrip naturende natuur omschrijven en heb dat verkeerd gedaan. Ik had gewoon moeten zeggen: ‘Dat-denken-op-zich, oftewel de essentie van het feitelijke denken, behoort dus wél tot de naturende natuur. En ik ben het ook met Henk 21-11: 12.01 eens dat dat-denken-op-zich het attribuut Denken betreft dat de eeuwige en oneindige essentie van het denken uitdrukt. Wat je hier volgens mij over het hoofd zag, was dat er wel degelijk een oneindige essentie van het verstand bestaat volgens Spinoza. Voor mij maakt de vertaling van cogitationem absolutam verder geen verschil, maar ik vind die van Corinne mooi gevonden omdat hierdoor het absolute denken minder snel verward zal worden met Gods verstand (intellectus).

Je zou terecht plaatsvervangende schaamte voelen als ik mijn reactie op henk 20-11: 16.01 inderdaad gezegd had dat de uitgebreide dingen uit de idea Dei volgen. Blijkbaar heb ik dat antwoord te kort geformuleerd, want wat ik daar zei was dat uit 2/7c blijkt dat er wél dingen volgen [uit de natuúr van God]. Dit in tegenstelling tot de zin daarvoor waarin ik aangaf wat Henk deed, namelijk zowel het formele als het objectieve te laten volgen uit het attribuut denken. Maar omdat niet alleen jij, maar ook Henk in zijn reactie van 20-11: 12.01 de lezing geeft zoals ik die bedoelde, mogen we er dus vanuit gaan dat we het ook hier alle drie met elkaar eens zijn.

Maar dat is niet het geval met betrekking tot de lezing van 1/17s. De tussenzin 1/17s: ‘voor zover we ons voorstellen dat het Gods essentie uitmaakt’, bevestigt juist mijn stelling. (Ik hoor je zuchten). Want de verbeeldingen van onze geest bevatten op zichzelf geen enkele vergissing. 2/17s, laatste alinea. De toevoeging ‘voor zover’ lees ik daarom als: ‘voor zover we in staat zijn ons een beeld te vormen van de essentie van God, namelijk zijn denken’. In zoverre verschilt ons denken van het denken van God. Maar wanneer ons denken zich zover heeft ontwikkeld dat het zich de essentie van Gods denken wel kan voorstellen, dan verschilt ons denken niet meer van Gods denken. Als het zover is, zijn we dan ook geen mens meer maar God.

Volgens Henk 22-11-12.01 staat er in 2/10s, laatste alinea, inderdaad voor de komma wat Spinoza afwijst en na de puntkomma wat Spinoza’s eigen opvatting is. En volgens hem is wat S. afwijst: “dat God deel uitmaakt van de essentie van iets” en omschrijft hij S’ opvatting als een “zodanige definitie dat God geen deel uitmaakt van de essentie van een ding.” Maar in die korte formuleringen is in beide gevallen het woord ‘bestaan’ van een ding weggevallen. En daar gaat het nu juist om: in hun BESTAAN als enkelvoudig ding maakt God geen deel uit van de essentie. En dat punt wil Spinoza benadrukken met stelling 2/10. Hij wil niet dat het tijdelijke karakter van de vorm van de mensen wordt aangezien voor hun essentie. “Het zijn van de substantie behoort daarom niet tot de essentie van de mens”, interpreteer ik daarom als: de substantie zoals die in de vorm van een mens bestaat, behoort niet tot de essentie van de mens. Dat S. hier het woord ‘zijn’ gebruikt en niet ‘bestaan’ kan gedaan zijn met het oog op het scholastieke gebruik van dat woord. Bovendien kan substantie natuurlijk niet niet-bestaan, wat met het woord ‘bestaan’ hier geïmpliceerd zou kunnen worden. Als je het zo leest is het ook niet verbazend dat de toelichting nu juist begint met een bekrachtiging van de echte essentie. Kort samengevat staat daar dat God de enige oorzaak is van zowel het bestaan als de essentie van alle dingen. Ik beken hier wel, in dankbaarheid aan jullie commentaar, dat hier sprake is van voortschrijdend inzicht, al zal dat wat jullie betreft de verkeerde kant op zijn.

@Mark Behets 21-11: 14:19
Ja, je parafrasering van ‘bewust voortbestaan na de dood’ klopt. Met ‘bewust’ bedoel ik: adequaat bewust. En er blijft na de dood van het lichaam natuurlijk ook nog een emotionele modus bestaan, voor zover er sprake is van adequate gevoelens. Want alles wat adequaat is, is werkelijk en oneindig. De rest is in grotere of kleinere mate gebonden aan de idee van het lichaam en sterft daarom na kortere of langere tijd ook af. Het viel buiten het bestek van dit blog, maar voor het ontwikkelen van adequate kennis zijn adequate gevoelens net zo noodzakelijk als een goed werkend verstand. De tweede en vooral de derde soort van kennis vormen namelijk het intellectueel liefhebben van God. ‘En van de mensen’, voeg ik er hierbij aan toe, vele andere uitspraken daarmee samenvattend. De hogere graad van bewustzijn die mogelijk wordt na het ontwikkelen van de intuïtie, valt buiten de filosofie van Spinoza, omdat daarna het typisch menselijke, het lichaam van de idea ideae, verdwijnt. Ik denk zelf dat die hogere graad van bewustzijn wel in toenemende mate onpersoonlijk wordt in de zin van een toenemende mate van eenwording, oftewel vereenzelviging, van de eigen essentie met de goddelijke. Maar in de zin van een individualiteit of entiteit, zal het persoonlijke altijd blijven bestaan: per slot van rekening is God zelf in zijn totaliteit ook een individu. En aangezien wij in essentie God zijn, zal de ontwikkeling van het bewustzijn dan ook oneindig doorgaan. Maar ik ben bang dat als ik zo doorga de zo tolerante en geduldige Stan deze bijdrage gaat schrappen. ;-)

Dank, Adèle, voor deze bij eerste lezing fascinerende bijdrage. Schrappen is wel het laatste wat bij me zou opkomen bij een discussiebijdrage als deze. Ik ga alles nog eens goed tot me laten doordringen, voor ik eventueel een inhoudelijke reactie aandraag. Hier wil ik alvast laten weten dat ik op het puntje van m'n stoel deze laatste reactie lees. Ik ben benieuwd wat ik er bij tweede en volgende lezingen van zal vinden.

Vervolg op mijn reactie van 8:48

Je kunt je afvragen waarom Spinoza zo'n weinig inhoudelijke definitie van de essentie van een ding geeft. Ik denk om twee redenen:
1) om uit te sluiten dat God deel uit zou maken van de essentie van een ding. Dit legt hij uit in 2/10s. Geen overbodige luxe gezien de discussie op dit blog, maar blijkbaar niet voldoende voor iedereen.
2) om te waarborgen dat de essentie van een ding gebonden is aan het ding (de 'subtiele' discussie over het verschil tussen het bestaan van een ding en het zijn van een ding ten spijt)

Adèle, bedankt voor je bijzonder interessante uitweiding over de eeuwigheid van de geest! Dit is de meest originele interpretatie die ik al ergens gelezen heb, en die bovendien verenigbaar blijft met zowel geest als letter van de Ethica. Ik zou hier erg graag nog meer over van je vernemen, maar je hebt gelijk, dan verwijderen we ons te ver van het onderwerp van dit blog. Suggestie aan Stan: misschien kan je Adèle nog wel eens een gastblog laten maken?

Voor alle duidelijkheid ter aanvulling: als Henk zegt dat Spinoza met het ‘absolute denken’ het attribuut denken bedoelt, dan klopt dat denk ik niet. Er staat in 1/31b dat het denken-op-zich (het absolute denken) door middel van het attribuut denken begrepen moet worden, niet dat dit het attribuut denken ís. Dit absolute denken vormt de essentie van Gods denken. Omdat de wil van God zijn essentie is (1/34) en de wil gelijkstaat aan het denken (2/49c), is de essentie van het denken ook de essentie van Gods wil. Verder valt ook het bestaan van God samen met zijn essentie.1/20 Dus in Gods essentie vallen wil, denken en bestaan samen. En we hebben het hier niet over attributen en modi. Spinoza beperkt zich in 2/7s echter tot: ‘God is de werkelijke oorzaak van de dingen zoals ze in zichzelf zijn, voor zover hij uit een oneindig aantal attributen bestaat’. Hij legt hiermee dus de nadruk op God als werkende oorzaak. Spinoza doet dit omdat hij ‘dit op dit moment niet duidelijker kan uitleggen’. Dat wil dus niet zeggen dat wij de essentie van God/substantie alleen kunnen kennen vanuit de attributen; die vormen weliswaar de substantie, maar niet de essentie ervan, ze drukken die ieder op hun eigen manier alleen maar uit. 1/def.6 En volgens de definitie van attribuut zelf (1/def.3) is wat we van de essentie van de substantie kennen ook nog eens begrensd door wat verstand daarvan waarneemt.
Iemand zou kunnen zeggen dat het onderscheid tussen essentie en attribuut zinloos is omdat de essentie van een attribuut hoe dan ook overeenkomt met het attribuut. Maar dat is het niet; al was het alleen maar omdat Spinoza dat anders niet gemaakt had. Wat het betekent is dat er manieren van kennen en ervaren mogelijk moeten zijn van wat vormloos genoemd zou kunnen worden.

@Adèle,
Je glipt mij als een gladde aal door de vingers. Ik vermoed dat ik je reactie bij eerste lezing zo'n fascinerende bijdrage kon vinden. Maar als ik je reactie probeer te doorgronden, glip ie steeds weg.

Uit dat alles "uit de natuúr van God" [2/7c] volgt, kun je uiteraard niet zeggen dat alles uit de Idea Dei volgt, zoals je eerder deed. Dat trek je nu terug, toegevend dat je het 'kort door de bocht' had geformuleerd. Daarna geef je Henk verkeerd weer ["namelijk zowel het formele als het objectieve te laten volgen uit het attribuut denken"], maar dat formuleerde hij niet zo ["het objectieve aspect volgt uit 'de idee van God'"]. 0
Daar zowel ik als Henk "de lezing geeft zoals ik [Adèle] die bedoelde, mogen we er dus vanuit gaan dat we het ook hier alle drie met elkaar eens zijn." Schrijf je. Ik vind het prima, hoor, deze overeenstemming, alleen heb ik geen flauw idee waarover we het dan (wat jou betreft) eens zijn.

Over 1/17s ga ik niet meer argumenteren. Ik constateer dat we op verschillende golflengten zitten waardoor we elkaar niet ontvangen.
Over wat ik in jouw stukje daarover nog wel opvang dit. Je hebt het daar over "ons een beeld te vormen van de essentie van God" en verderop "zich de essentie van Gods denken wel kan voorstellen," - hierin ervaar ik Spinoza niet. Het intellect vormt geen beelden, dat doet de imaginatio; Spinoza geeft aan dat we sommige dingen wel kunnen begrijpen, maar niet verbeelden.

Over 2/10 zeg je vervolgens een paar behartenswaardige dingen. Maar "dat God de enige oorzaak is van zowel het bestaan als de essentie van alle dingen" kan toch het "voortschrijdend inzicht" niet zijn? Dat kennen we al van 1/25. Dus wat je werkelijke "voortschrijdend inzicht" ["de verkeerde kant op"] kan zijn is mij ontgaan. Een poging: kan het zijn dat je je stelling, "De mens is in essentie God," in zoverre afzwakt, dat dit niet meer geldt tijdens ons tijdelijke, aardse bestaan, maar wellicht daarna in een eeuwig bestaan (if possible)?

Op wat je allemaal aan 't eind van je reactie aan Mark Behets schrijft doe ik maar liever het zwijgen toe. Maar ik kan het niet laten en daarom toch dit: Jij lijkt hier in een heel ander universum te verblijven dan ik: een waar God zelf een individu is - een universum waar adequate gevoelens bestaan die in een 'emotionele modus' blijven voortbestaan; Spinoza had het uitdrukkelijk over de Amor Dei INTELLECTUALIS, maar jij maakt daar gevoelens van, "adequate gevoelens" dan. Ik vermoed dat je een nieuw attribuut op het spoor bent: SENTIRE, VOELEN.
Enfin, je hebt in Mark alvast een adept.

1/31: Niet het absolute denken moet door het attribuut denken begrepen worden, maar het verstand, ofwel een welbepaalde manier van denken. Dit moet begrepen worden door het ABSOLUTE DENKEN OFWEL EEN ATTRIBUUT VAN GOD (is niet van mij, lees maar, er staat gewoon wat er staat). Daarom behoort het verstand tot de naturerende natuur.

Adèle, onze reacties kruisten elkaar.
Eén opmerking over je laatste reactie.
Er staat in 1/31b NIET dat het denken-op-zich (het absolute denken) door middel van het attribuut denken begrepen moet worden, [jij concludeert dan "niet dat dit het attribuut denken ís."] Er staat dat men het verstand door middel van het denken-zonder-meer (het absolute denken) begrijpen, namelijk [nempe, of: d.w.z.] door middel van een attribuut van God. Dat 'nempe' geeft aan dat met cogitatio absoluta het attribuut cogitatio bedoeld is, dat het er een nadere uitleg van is.

Dat je, zoals je meermalen deed, in 1/34 eenvoudig leest "de wil van God is zijn essentie" als vertaling van "Dei potentia est ipsa ipsius essentia," laat ik verder onbesproken passeren (merk ik alleen op).

Zo zie je maar weer dat je van Nederlandse vertalingen niet op aan kunt. De een vertaalt 'absolutam cogitationem' met 'het denken zonder meer', de ander met 'het denken op zich'. Daardoor wordt de tekst onbegrijpelijk. Alleen Van Suchtelen heeft de tekst begrepen. Hij vertaalt met 'het absolute Denken'.

Henk, 'het denken zonder meer' of 'het denken op zich' zijn prima vertalingen van 'absoluta cogitatio' die ook nog eens begrijpelijk zijn; 'het onbeperkte denken' zou ook goed kunnen. Jij behoort wellicht tot een van de weinigen die tevreden is met 'het absolute Denken' en dat meteen begrijpt. Met een beetje uitleggende vertaling is m.i. niks mis, als die maar de bedoeling van de auteur goed weergeeft.

Stan, met 'absoluta cogitatio' wordt het attribuut Denken bedoeld. Dat haal je er absoluut niet uit met 'het denken op zich' of 'het denken zonder meer'. Die vertalingen verwijzen niet naar het attribuut. Daarom zijn het geen prima vertalingen. Dat doet 'het absolute denken' wel, bovendien is het gewoon een VERTALING van 'absoluta cogitatio'. Dat is nu juist waar het in het algemeen aan schort bij Nederlandse vertalingen, dat ze bij soms cruciale teksten met uitleggende of interpreterende vertalingen komen, waardoor je 'er niet van op aan kunt' (en de mist in gaat, zoals je in dit blog kunt zien).

Bovendien zijn het geen 'uitleggende' vertalingen, de vertalers hebben niet begrepen dat het attribuut werd bedoeld.

Natuurlijk hebben de vertalers begrepen dat het attribuut werd bedoeld, Henk; dat staat daar gewoon in 1/31d, zoals ik in 25-11-2015 @ 16:23 heb uitgelegd.

@Stan 25-11: 16.00
Ja, je moet een ware Houdini worden om je uit de door jou aangelegde kluisters te bevrijden!
Maar ik laat me geheel vrijwillig in de boeien slaan wat voor het verkeerd lezen van 1/31 Lief van jullie om dat in de vertaling te zoeken, maar hoe je het ook vertaalt: door nauwkeuriger close reading had dat duidelijk kunnen zijn. Ja, mea culpa heb ik ook Henk verkeerd begrepen. En ja, er staat in 1/34 inderdaad ‘macht’ en geen ‘wil’. Voor mij zijn dat synoniemen, maar Spinoza onderscheidt inderdaad de wil als een modus van het denken, van Gods macht (waarvan alles afhankelijk is). Bedankt voor deze correcties. Maar voor wat ik wilde zeggen maakt dit niet echt uit: omdat het attribuut denken de eeuwige en oneindige essentie uitdrukt van het denken, blijven in de essentie van de substantie, Macht, Denken en Bestaan samenvallen. Ik stel me daarbij graag een gelijkzijdige driehoek voor Δ, waarbij macht aan de top, bestaan links en denken rechts de hoeken vormen.

1/17s: ik heb de woordcombinatie ‘zich een beeld vormen’ hier gebruikt als een synoniem voor ‘voorstellen’ (vertaling van Corinna van concipitur). Ik heb niet de woordcombinatie ‘zich verbeelden’ gebruikt.

2/10: het voortschrijdende inzicht betekent dat de tweede toelichting van stelling a in de blogtekst, niet juist is. Verder zou ik de eerste toelichting nu anders formuleren. De stelling ‘de mens is in essentie God’ geldt juist in ons aardse bestaan. Er blijft na de dood immers niet meer of minder essentie bestaan, dan je hier hebt weten te realiseren. Dat is nu juist waarom je hier bent en waar de conatus je uiteindelijk naar toe drijft.

Het woord ‘individu’ voor God/substantie heb ik van Lucia Lermond. Ik vind het gewoon een rotgevoel geven om iets wat oneindig en almachtig is ‘ding’ te noemen. Zowel de modus emotie, als het vermogen te voelen vallen onder het attribuut denken. En om nauwkeuriger te zijn: ze doen dat volgens mij in de vorm van het vermogen te reageren op de omgeving (dus in de vorm van de idee van een ding) en voor de adequate gevoelens dankzij de idea ideae. Spinoza somt in 1/31 niet alleen het feitelijke verstand op als modus van het attribuut denken, maar ook begeerte en liefde. Ik heb alle soorten emotionele en gevoelsreacties willen vangen onder de ‘modus emotie’. Als alles wat daarvan niet adequaat is verdwijnt, blijft een gevoelsmodus over die het mogelijk maakt om de intuïtie en het intellectuele liefhebben van God te ervaren (de AMOR intellectualis). Of denk je soms dat je alleen met je verstand liefde kunt ERVAREN? Precies.

Had ik die laatste reactie maar niet geschreven. Die ontslaat je ervan om te reageren op mijn reactie daarvoor. Dan had je moeten verdedigen dat 'denken op zich' en 'denken zonder meer' goede vertalingen zijn van 'absoluta cogitatio' en dat het aangewezen vertalingen zijn waaruit je direct begrijpt dat het attribuut wordt bedoeld. Want jij denkt blijkbaar dat 'denken zonder meer' en 'denken op zich' hetzelfde betekenen als 'het absolute denken'.
Als die vertalers begrepen hadden dat het attribuut werd bedoeld hadden ze gewoon 'het absolute denken' vertaald. Jij ziet het misschien niet, maar 'het absolute denken' is heel wat anders dan 'het denken op zich' of 'het denken zonder meer'. Die betekenen niks in dit kader. Met 'het absolute denken' wordt overduidelijk het attribuut Denken bedoeld, met die andere twee niet.

Natuurlijk is er verschil, maar niet voor wat ik wilde zeggen. Maar misschien zou je willen uitleggen wat de betekenis is van die verschillen?

Adèle, was reactie op Stan. Op jouw vraag: zie mijn laatste zin. Bij Spinoza heeft 'het absolute denken' betekenis. Het 'denken op zich' heeft niets absoluuts.

Het absolute denken is denken op het niveau van God, daar hebben 'denken op zich' en 'denken zonder meer' niets mee te maken.

Dank je. En wat is volgens jou het verschil in betekenis tussen 'denken op zich' en 'denken zonder meer'?

Is m.i. niet van belang, zijn twee onjuiste vertalingen.

...door mij aangelegde kluisters..., nou ja.

Goed dan, ik zal nog een kluister aanbrengen!
Ook Lucia Lermond kan de term 'individu’ niet op God/substantie laten slaan. Als we índividu gebruiken in de zin van Spinoza gaat het om samengestelde lichamen die samen een individu vormen (cf. Lemma IV e.v.). God of de substantie bestaat niet uit delen, zo simpel is het.

@Stan. Onze discussie is afgesloten? De vlag gestreken of vind je nog steeds dat het prima vertalingen zijn en dat de vertalers met hun vertaling het attribuut Denken voor ogen hadden?

@Henk, het lijkt me niet zinnig zo'n discussie a.h.w. tot in den treure te blijven voortzetten. Ik beschouw het dus 't liefst als afgesloten.
Zeggen "het absolute denken is denken op het niveau van God," voegt niets toe aan zeggen: is het attribuut Denken. En dat was al gezegd.
Jij beweert dat [naar jouw gevoel] 'denken op zich' en 'denken zonder meer' daar niets mee te maken hebben. Verder dan die bewering kom jij ook niet. Ik beweer dat [naar mijn gevoel] dit soms prima aanduidingen van dat attribuut zijn. Ja, ik denk dus, ben ervan overtuigd, dat de vertalers met hun vertaling het attribuut Denken voor ogen hadden.
Dit kunnen we toch beter afsluiten, daar we niet verder komen?

@Stan
Dat van Houdini en de kluisters is esprit, ‘light banter’, een woordgrapje in reactie op jouw metafoor van de gladde aal.
Waarom zou God geen entiteit of individu genoemd mogen worden, maar wel een ding? Spinoza gebruikt het woord ‘res’, vertaald als ‘ding’ voor alles wat werkelijk bestaat; ook voor mensen. En hoe kom je erbij dat God geen samengesteld lichaam heeft? Omdat zijn bestaan en zijn essentie samenvallen is het bestaan van attributen en modi verenigbaar met de stelling dat substantie ondeelbaar is. Het attribuut uitgebreidheid deelt de substantie dan ook niet; juist omdat zijn essentie in alles is. Als wij iets zijn, dan wel corpusculi in zijn lichaam.

"Henk,
Ik doe toch een poging tot toelichting.
Dat iets uitgebreid is en bestaat “in” of “tegen een achtergrond” van uitgebreidheid die daaraan ten grondslag ligt (een modus is van het attribuut uitgebreidheid), kunnen we ons makkelijker indenken (voorstellen) dan hetzelfde bij denken. Iets uitgebreids is dan een stukje in een oneindig uitgebreide ruimte. Bij denken lukt dat moeilijker. Dat een gedachte bestaat “in” of “tegen een achtergrond” van denken (een modus is van het attribuut denken), daarvoor bestaat geen tegenhanger van ruimte. Het is daarom dat ik er geen moeite mee heb dat eens een poging wordt gedaan het te benaderen met: 'denken op zich' en 'denken zonder meer'.

Dank, Ad1ele, voor je toelichting. Inderdaad moest "gladde aal" gepareerd worden...
Je reactie hier op God en lichaam, is weer precies zo´n aal-achtig voorbeeld waarin ik je niet kan volgen. Uiteraard mag God res of entiteit genoemd worden, maar precies niet 'individu', wil je althans bij Spinoza gedefinieerde woordgebruik blijven. Ga je eigen gang, maar Spinoza´s God heeft geen lichaam. De natura naturata komt voort uit God, zo het Universum en dát kan individu genoemd worden, zoals Spinoza doet. Het hele universum heb ik hem nergens als lichaam zien benoemen, maar dat kun je heel goed in het scholium bij Lemma VII lezen, en daarin zijn wij dan, oké, corpusculi. Maar om daarvan dan God's samengestelde lichaam te maken ervaar ik als nogal idiosyncratisch van Spinoza afwijken. "Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of worden gedachte," lezen we in 1/15. Nergens lezen we wat jij beweert: dat Gods essentie in alles is. Uiteraard komt alles voort uit Gods macht (is zijn essentie), en alles ontvangt iets van zijn macht (dat is de conatus), maar ontvangt niet Gods essentie (zijn macht) - hoe kóm je erbij...

Stan, ik houd er mee op, ongelooflijk dat je niet gewoon toe kunt geven dat je er finaal naast zat. Dit slaat helemaal nergens op.

Flauw, Henk, valt me van je tegen. Ik zat nergens "finaal naast" en heb in ieder geval nog een poging gedaan mijn benadering toe te lichten. Bij jou zie ik alleen maar 'beweringen op zich'. We zijn het eens dat we hiermee stoppen. Jammer dat het kennelijk zo moet.

Henk, over 2d2 wil ik tenslotte nog het volgende kwijt. Ik wil evenmin de discussie hier verder over zetten. Bennetts uitleg, de mijne en de jouwe staan er, de lezer kan er zijn besluit uit trekken. Het is m.i. ook niet zo belangrijk. Uit nieuwsgierigheid heb ik de tekst van 2d2 toch eens voorgelegd aan een niet onverstandige vriend, die Spinoza totaal niet kent, en hem gevraagd wat volgens hem aan de definitie kan beantwoorden. "De zaak zelf" zei hij, "niet meer en niet minder". Spinoza lezen blijft een interpretatie van taal, en dat is (gelukkig) geen exacte wetenschap.

Boeiend om dit alles van de zijlijn te volgen hoewel het soms mijn petje te boven ging. Zeker mooi om zien is hoe verschillend er gelezen wordt. En dan heb ik het niet over ‘mislezen’ zoals een contrafactische redenering fout lezen. Maar hoe, Spinoza indachtig, een tekst affecteert en in die affecties er een gemeenschappelijkheid ontstaat die een andere lezer moeilijk kan vatten. Juist omdat die andere lezer een andere gemeenschappelijkheid met diezelfde tekst opbouwt. Je zou kunnen zeggen dat een lezing zich past ontplooit in een geraaktheid die dan pas ‘de tekst doet ontstaan’. Er is niet eerst 'diezelfde' tekst, klaar en duidelijk voor iedereen begrijpbaar, die alleen nog moet gecommuniceerd worden. ‘Lees dan toch wat er staat’ als gebiedende wijs is een vreemde opdracht. Je kan ook maar begrijpen wat er gemeenschappelijk wordt in een lezing.
Een beetje zoals veel Engelse analytische filosofen het denken van Heidegger niet kunnen meedenken.

Daarom houd ik van Adèle’s lezing. En van de gedachtegangen die zich hier vervolgens als draden sponnen als een spinnenweb van Spinoza.

Stan, Henk, Mark,
Gisteravond heb ik de hele discussie nog een rustig doorgelezen en het slagveld overziend, ben ik tot de conclusie gekomen dat 2def2, 1/25 en meer plaatsen, tot twee elkaar tegengestelde interpretaties aanleiding hebben gegeven: 1. de essentie van God is de essentie van de mens enerzijds en 2. de essentie van de mens is alleen veroorzaakt door God maar is niet Gods essentie. Ik denk dat beide waar zijn en dat we hier dus te maken hebben met een paradox. Nu is de paradox geen onbekend middel tot inzicht: ze wordt gehanteerd als leermiddel door onder andere het Zenboeddhisme, de filosoof Zeno, de hermeneutiek, de Advaita Vedanta, maar ook de quantumfysica kent de paradox (een quantum energie is zowel deeltje als golfje). In termen van Spinoza, kan een paradox alleen worden opgelost door overstijging van de kennis van de tweede soort tot de derde soort. Spinoza is onze geniale zenmeester. Laten we daarom nooit zeggen dat een definitie of een toelichting onduidelijk is, of dat iets een loze formulering is. Laten we dapper doorgaan elkaar met onze interpretaties om de oren te slaan, want het dient een hoger doel: het oplossen van een paradox leidt tot de waarheid en tot bevrijding door inzicht. En laten we niet vergeten om onszelf te lachen, want ook serieuze humor is in essentie ;-) een paradox. En ook lachen bevrijdt; in het oude Griekenland bestonden er zelfs tempels voor. (Ed ik zie net je bijdrage: bedankt daarvoor. Ik denk dat je je bijdrage wel zult herkennen in wat in deze bijdrage staat).

Adèle,
Twee (ogenschijnlijk) verschillende lezingen kunnen alleen maar “allebei waar zijn” als ze op een verschillend perspectief wijzen: als iets in elke lezing op iets anders wijst. Als dat niet het geval is en beide “onder het zelfde opzicht” voorgesteld worden waar te zijn, spreken we van een contradictie.

Ik vraag me af of het “oplossen van de paradox” alleen met de derde kensoort kan. Wie beroep doet op een scientia intuitiva houdt een ander af van het doorzien van de “oplossing” (als die ander niet zelf ook zo’n scientia intuitiva heeft; en dan moeten we maar aannamen dat elk tot eenzelfde hoger inzicht kwam). Ik denk dat het mogelijk moet zijn om op het nivo van de gewone rede het verschillend-zijn van de perspectieven te achterhalen. Ik deed daartoe pogingen, maar slaagde er niet in te overtuigen.

Je geeft naar mijn gevoel de tegenstelling goed weer in deze twee visies: 1. de essentie van God is de essentie van de mens enerzijds en 2. de essentie van de mens is alleen veroorzaakt door God maar is niet Gods essentie.
Over de 1e (jouw) visie wil ik alleen nog opmerken: de essentie van God valt samen met zijn existentie, is noodzakelijk, eeuwig, oneindig, absoluut, onveranderlijk, is zijn onuitputtelijke macht, etc. Dat geldt voor de essentie van de mens allemaal niet (of niet allemaal), dus mag je aannemen dat de term ‘essentie’ in het geval van de mens hier in een enigszins andere betekenis wordt gebruikt.
In je reactie van 24-11-2015 @ 10:13, schrijft je: “Ik denk zelf dat die hogere graad van bewustzijn wel in toenemende mate onpersoonlijk wordt in de zin van een toenemende mate van eenwording, oftewel vereenzelviging, van de eigen essentie met de goddelijke.” Hieruit maak ik op dat jouw “oplossing” erin zit dat de mens opgaat/oplost in God. Dan houdt een mens op mens te zijn (zoals een paard dat mens wordt ophoudt paard te zijn, zoals Spinoza ergens schrijft).
En ja, dan wordt het paradoxale van de stelling “de mens is in essentie God” dat de mens uiteindelijk (in zich bezien) niks is (en er maar “één ding” is). Dat is m.i. de Hegelse lezing van Spinoza. Nou ja, je kunt je – na met God - met een nauwelijks mindere grootheid vereenzelvigen.

Adèle, ik neem aan dat je mijn laatste zin leest als een poging om mee te gaan met jouw suggestie tot wat meer humor. Ik schrijf het (hoewel dat uiteraard juist niet moet) toch maar even bij.

ja, hoor :-)

Hieronder een wat langere beschouwing over schrijven, lezen en denken door Leopold Flam. En meer nog, om de verschillen te duiden het volgende. Iemand zette deze tekst op een blog juist om te laten zien hoe ‘onleesbaar’ deze tekst is. Ik vind hem mooi en verhelderend.

"De metafysische eenzaamheid dient als immanente doelmatigheid verstaan te worden.(…) De authentieke doelmatigheid van het werk kan in sommige filosofische teksten gevolgd worden, die tevens voorbeelden zijn voor en van de metafysische eenzaamheid: de Ethica van Spinoza, de Kritik der reinen Vernunft van Kant, de Phänomenologie des Geistes van Hegel, de Logische Untersuchungen en de Ideeen van Edmund Husserl, het Tractaat van L. Wittgenstein, Sein und Zeit van M. Heidegger en L’ Etre et le Néant van J.P. Sartre.
Spinoza, Kant en Husserl citeren haast nooit en wanneer Hegel, Heidegger of Sartre citeren, dan gebeurt het binnen de immanente beslotenheid van het werk zelf, dat van elders geen referenties vergt. Elk van de aangehaalde werken mag men niet van buiten uit benaderen door ze tot de invloeden, die ze ondergingen, te herleiden, tenzij zij zelf er zich op betrekken. Hun eenzaamheid is metafysisch door hun zelffundering. De zelffundering betekent dat ze in hun uiteenzetting zelf hun voldoende reden ontwikkelen in de letterlijke zin van het ontwikkelen van een rol, zonder tussenkomst van uiterlijke of vreemde factoren. De zelffundering sluit het uiterlijk en vreemd gezag van welke aard uit. De tekst antwoordt niet op een gegeven bevel of een uiterlijke opvordering of vraag.
Hij geeft zelf de grond van zijn waarom, waaruit en waartoe. Zijn soevereiniteit domineert echter niet en eist evenmin onderdanige gehoorzaamheid en onderwerping (of subjectivering) aan, noch opwerping (objectivering) van de lezer. De tekst is zozeer besloten dat hij als zodanig zich op geen lezer betrekt, noch erom smeekt, want hij heeft aan zichzelf genoeg. Nochtans is een tekst zonder lezers reine onzin. Zonder de mededeling wordt een tekst geledigd van de tekst, wordt hij een formeel spinneweefsel, een labyrint, want een tekst, ledig van zijn tekst, heeft zichzelf uitgevaagd. Zo de eenzaamheid van een tekst geen lezer impliceert, is hij echter een wenk en een uitnodiging tot een lezer die het verdient hem te lezen?
Is dit geen reine illusie? Welke lezer van de Ethica zou kunnen zeggen dat hij het verdient de tekst te lezen? Welke criteria zullen hem zeggen dat hij de lezer is die het verdient hem te lezen? Wanneer hij gewaar wordt dat hij door de tekst geïmpliceerd wordt en hij kan dit alleen maar gewaar worden wanneer hij de onvoltooidheid en het fragmentair karakter van de tekst bemerkt, niettegenstaande zijn beslotenheid. De lezers van Spinoza zoals Leibniz, Lessing, Hegel, G. Friedmann, Gilles Deleuze, Louis Althusser worden elk op hun wijze door en in de tekst van de Ethica geïmpliceerd, hetgeen geenszins hun onderdanigheid en gehoorzaamheid inhoudt. Integendeel, was dit het geval dan zouden zij het niet verdienen de spinozistische tekst te lezen.
Moest de Ethica echter in vergetelheid geraakt zijn dan was de tekst niet metafysisch eenzaam maar afgezonderd en eigenlijk niet bestaande. Alleen door de lectuur van ‘verdienstelijke lezers’ treedt hij uit het niets van de vergetelheid in de metafysische eenzaamheid van zijn enigheid en oorspronkelijkheid. ‘ (…)"

@Ed,
Even dacht ik erover deze tekst te wissen, want niet direct toepasselijk op waar het hier omgaat. Maar daar ik je opzet begrijp (de onuitwisbare relatie tussen tekst en interpretators) laat ik hem staan - eventueel ter vermaak.
Maar daar hoort dan wel bij dat die "iemand" Willy Schuermans van Spinoza Kring Lier is. In dit blog is zijn inleiding te lezen:
http://www.bloggen.be/spinoza/archief.php?ID=2445884

Ik heb deze tekst die je hier citeert ook al eens eerder van Schuermans overgenomen in dit blog van 5 februari 2014:

http://spinoza.blogse.nl/log/leopold-flam-1912-1995-vond-spinozas-ethica-alleen-bestemd-voor-lezers-die-dat-verdienen.html

Stan,
Ik weet ook wel wie die tekst geplaatst heeft maar wou hem hier niet vernoemen. Willy is een goede kennis van mij en ik wil hem niet viseren. Alleen aangeven dat een tekst voor iemand niets kan betekenen en voor iemand anders wel. Als je kan meedenken vanuit de coördinaten van de schrijver is een tekst meestal duidelijk. Kan je dat niet dan blijft die tekst duister.
Dus de tekst van Leopold Flam is voor mij zeker niet ter vermaak.
Ik vind hem prachtig.

Ed,
Ik heb toch geen twijfel uitgesproken dat jij niet zou weten wie die tekst geplaatst had? [Dat was niet in mijn reactie geïmpliciteerd, om het met Flam te zeggen]. Ik vind alleen dat een vindplaats indien mogelijk gemeld moet worden, daar er meestal méér te vinden is. Daarom heb ik de service verleend die toe te voegen. Ik wil nog erkennen dat ik bij het "ter vermaak" eigenlijk een andere tekst van Flam op 't oog had, ook over Spinoza, en ook te vinden bij Willy Schuermans eerder deze maand.
Ik wil je niet het genoegen ontzeggen hem prachtig te vinden, maar ik ben het niet eens met de strekking van zijn stukje, dat
"De lezers van Spinoza zoals Leibniz, Lessing, Hegel, G. Friedmann, Gilles Deleuze, Louis Althusser worden elk op hun wijze door en in de tekst van de Ethica geïmpliceerd," Bij een lezing speelt niet alleen de tekst, maar ook de lezer. Beide brengen iets mee. Het gaat mij te ver om alle verschillende (vaak tegenstrijdige) lezingen als al immanent (geïmpliceerd) aanwezig in de filosofische tekst te poneren, want dat maakt die tekst zelf inwendig tegenstrijdig. De eigen rol van de lezer/interpretator is er ook nog.

Stan,
Laat me eens stoute schoenen aantrekken. Stellen dat er (eerst?) een tekst is gescheiden van een lezer is zo cartesiaans dat ik dit vreemd vind om hier te lezen.
Laten we er vanuit gaan dat iemand een tekst geschreven heeft en dat daar een boek van gedrukt is. In de boekwinkel ligt dan een bedrukt papieren object met tekstregels die zinnen vormen. Zo kan je ook een schilderij omschrijven als een linnendoek dat op een spieraam gespannen is waarop verf is aangebracht. Klassiek spreek je dan van een object waartegenover een zelfstandig schouwend subject zich kan opstellen. Dat is correct, er is een materieel ding en een mens.
Maar daar is nog geen Spinozistische relatie.
Het is pas in het kijken en het lezen dat een beeld ontstaat uit die verfstreken of die grafische tekens die letters zijn. Het is pas in het gebied van affectiones verbonden met een herinneringspoor dat er een subject en een object ontstaat. Het subject is wel niet de mens van vlees en bloed en het object is hier niet het ding dat in de boekhandel is aangeschaft. Dit zijn twee verschillende werelden.
Dit raakvlak van het zichtbare zintuiglijke en het zegbare is de wereld van Spinoza. En hier zijn subject en object één en hetzelfde. Dit gebied is minder de ruimte van de aandoeningen van hoofdstuk drie in de Ethica maar horen nog volledig thuis in de ruimte van ‘de kleine fysica’ na E2 13.
Hier scheiden zich het ‘Ik denk’ van Descartes en ‘de Geest’ van Spinoza.

Lezen is geen communicatie overbrenging!