Abraham van Collem (1858 – 1933) De vergeten dichter van God

               “Gij, neem’ de deelen en weest het Heelal”
               [laatste regel gedicht XIX in Van God en van de Natuur]
Hoe je als dichter met een amor Universi imaginationis in de buurt van de amor Dei intellectualis kunt komen.

Tekening van Abraham Eliazer van CollemEen almaar meer Spinozistisch geïnspireerde dichter! En hij was hier nog niet opgenomen in het Poeticum Spinozanum? Hoe is dat mogelijk? Was dat omdat deze joodse atheïstische communistische dichter nergens in zijn poëmen de naam van Baruch de Spinoza noemt? Of is het te wijten aan het feit dat bijna niemand hem nog kent? Toch had Victor van Vriesland wel 11 gedichten van hem in zijn Spiegel van de Nederlandse poëzie (1979) en nam ook Gerrit Komrij 3 gedichten van hem op in zijn De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw enz. Is het dan omdat de arbeiders van tegenwoordig het te goed hebben, zodat niemand meer behoefte heeft aan zijn arbeideristische en strijdbare verzen? Of is het omdat de communistische dichter te religieus op velen overkwam? Ik weet het niet, maar ben wel heel tevreden dat ik bij mijn speuracties voor dit blog hem ineens ontdekte (hoe, dat zal binnenkort nog wel eens duidelijk worden). Ik spoedde mij direct naar de goed voorziene Maastrichtse bibliotheek. En daar bleek bijna alles van hem verzameld en bewaard, behalve notabene zijn laatste en (zo weet ik intussen) belangrijkste bundel: God.
En ik kon er ook lenen de enige monografie over de dichter die Jaap Meijer in opdracht van de minister voor CRM (1977, moet Van Doorn geweest zijn) schreef: Vechtende profeet. Het joodse dichterschap van A. van Collem (1858-1933) [Heemstede, 5 mei 1980; gestencilde uitgave in eigen beheer].

Jaap Meijer schetst duidelijk de eenvoudige levensgang van Bram van Collem, zoals hij door zijn vrienden werd genoemd. Geboren in armoedige omstandigheden in de armelijke joodse buurt in Rotterdam, waar zijn vader, 'venter en koopman', in lompen handelde en soms confectie ventte op de markt of langs de weg. Hij heeft nauwelijks onderwijs genoten. Het is zelfs niet zeker of hij de lagere school heeft afgemaakt. Ook later nam hij, voor zover bekend, niet meer deel aan onderwijs. Hij was een geheel selfmade man die dichtte en meewerkte aan De Kroniek en De Nieuwe Tijd. naast zijn werk in de textiel-branche: aanvankelijk in de handel, vervolgens als zelfstandige met een engros-zaak en - na financiële problemen - als handelsreiziger.

Hij dichtte over het gewone, eenvoudige leven, zoals hij dat zelf meemaakte. Na Russische melodieën (1891), een brochure beschouwingen ten bate van vluchtelingen van pogroms in Rusland, was Van stad en land zijn eerste dichtbundel, die verscheen in  1906. Van Collem was toen al bijna 50 jaar. Het duurde nog eens tien jaren tot in 1917 zijn eerste van een bijna jaarlijkse reeks bundels, ‘liederen’ noemde hij ze, uitkwam. Toen, op zijn oude leeftijd barste zijn dichtader pas goed open.

Opvallend is dat veel christelijke thema’s langs komen. Regelmatig figureren Jezus en Maria in zijn gedichten. Maar veelal in een zodanige setting dat het licht-ironisch lijkt. Christelijk is hij zeker niet geworden. Meijer wijst erop dat al in zijn vroege polemiek met Henri Borel hij Jezus en Spinoza noemde als “jodendomsgenieën”, als handwerkslieden opgenomen in een eeuwenlang patroon van joodse wetsgeleerden die hun simpele kost verdienen met een ambacht en zich daarnaast wijden aan de vraagstukken van de geest (p. 78). En almaar maakt Van Collem duidelijker dat godsdiensten menselijke uitvindingen zijn; niet zomaar fantastische verzinsels, maar uitingen van diepgevoelde verlangens en angsten. Van Collem begrijpt mensen. En wie, zoals hij over de Natuur dicht, dient het ook te hebben over al deze natuurlijke menselijke bloeisels die ook de godsdiensten zijn. Vooral van zijn laatste bundels spat het Spinozistische denken en ervaren af. Dat verraad ook de titel: Van God en van de natuur (1921); verder: Liederen der gemeenschap. Derde bundel (1922), Van de nieuwe gemeenschap der menschen. Een gedicht (1924). De soldaten. Een visioen (1927) en tenslotte: God. Een gedicht (1930).

Jaap Meijer over Van God en van de natuur:
“Van de laatste vier bundels (tezamen het hoogtepunt van Van Collems dichterschap) behelst deze eerste de omtrekken van een levensbeschouwing die van het spinozisme uit God en de wereld benadert. Dat Herman Gorter hier als mentor zal zijn opgetreden, staat wel vast. Heeft HRH [Henriëtte Roland Holst] (“de gezondene”) tot de messiaanse conceptie van zijn socialisme geïnspireerd, Gorter (“de zich bewust naar de toekomst bewegende”) heeft voor Van Collem de functie vervuld van catalysator. Met als bepalende factor in het wijsgerige, Spinoza, niet met name genoemd doch van de titel af (DEUS SIVE NATURA) levensgroot aanwezig.”(p. 58)

Ook Peter Bormans die een uitgebreide analyse van Van Collems gedichten op internet zette (bij elkaar ook ruim 80 pagina´s), ziet diens natuurbeschouwing als een pantheïstische visie in de Spinozistische onderscheiding tussen natura naturata en natura naturans. De natuur bij Van Collem is “een natura naturans, d.w.z. een levende, levenbarende, steeds veranderende en wentelende natuur, waarvan de kern de dynamiek van het leven zelf is, het eeuwige geboren worden, sterven en weer geboren worden. Het tegendeel daarvan, de natuur zoals zij zich aan ons voordoet, weliswaar in al haar pracht en rijkdom, maar niet meer dan een object van aanschouwing, de natura naturata dus, komt in deze poëzie veel minder voor.”

Wat zijn eventuele geloofsopvatting betreft stelt Bormans: “wanneer je zijn hele oeuvre leest, krijg je eerder de indruk dat hijzelf nog steeds minstens voor een deel tot die ‘verwarden’ behoort, immers enerzijds verwerpt hij de idee van een klassieke God, anderzijds kan hij zich van de idee ervan niet losmaken en probeert hij in zijn werk het oude beeld te vervangen door een nieuw, een aangepaster beeld – dat hij echter vaker wel dan niet ‘God’ blijft noemen.”
Ikzelf proef daar echter niet zozeer geloofsworsteling in (of verwardheid), maar veeleer het besef en de erkenning dat die beelden nu eenmaal leven, in jezelf en nog sterker in je omgeving. Vandaar een voortdurende afwisseling van vaststelling en ontkenning.

De ontwikkeling van Van Collem is: van joods opgevoede gelovige, via een korte periode van zionisme (hij was zelfs, maar niet lang, de eerste voorzitter van de mede door hem in 1899 opgerichte Nederlandsche Zionistenbond ), via idealistisch communisme tot een Spinozistische filosofie misschien niet, maar toch wereldbeschouwing. Dat Van Collem’s Spinozisme ook in zijn eigen tijd herkend werd blijkt bij Israël Querido die in 1929 een uitgebreide studie “Kantteekeningen over Spinoza” had gepubliceerd. In zijn roman Het Volk God's, deel 2 – Menschenharten (1932) wordt van het personage Jacob Andriesse gezegd:
“Ook Van Collem, ééns zionistisch dreiger en machtig voorstuwer, was voor Andriessen niet dan de Jood, die de pantheïstische schaduw van Spinoza inzoog en weer als dichterlijke vuurkolom den mond uitademde.” [p. 100 - in Joodse bibliotheek]

En dan is er als laatste bundel: God (1930)
Interessant is hoe Meijer laat zien hoe hij daarin joodse manieren van kijken en denken die Van Collem vanuit zijn jeugd heeft meegekregen, gebruikt en inzet in een rationeel-religieuze beleving van het leven en het Al. Hij typeert Van Collems atheïsme als een “omgeslagen monotheïsme” zoals hij die aantrof bij Constantin Brunner, die andere door Spinoza geïnspireerde, van wie hij overigens niet aanneemt dat van Collem hem gekend zou hebben - maar hij ziet verwantschappen. “In het Westers atheïsme onderkent Brunner bij joden niet zelden onderbewuste krachten, die hen verhinderen te vervallen tot een vlak monisme.” (p. 74)

Peter Bormans moet niet veel hebben van deze “inlijving”, die hij ziet als “eens een jood altijd een jood”. Hij meent dat Van Collem veeleer in een algemeen menselijke richting evolueerde. Ikzelf heb niet zo’n bezwaar om als realiteit te erkennen dat er joodse reminiscenties herkenbaar bleven; dat hoeft een tevens meer universele menselijkheid immers niet uit te sluiten (ook joden zijn niet alleen maar particularistisch, maar zijn ook meer in het algemeen mens).

Meijer vindt het curieus dat de Spinozistisch aandoende dichtregel op zijn grafzerk op de Israëlitische begraafplaats te Muiderberg de “rabbijnse douane” kon passeren:

  Oneindig zijn de hemelen, omdat
  De mensch oneindig is…..

Hiermee is dan een begin gemaakt met het citeren van enige van zijn gedichten. Ik citeer er hierna enkele die mij zeer Spinozistisch aandoen. Die welke ik hier opneem, vindt men niet in de voorbeelden die Jaap Meijer in zijn monografie geeft, noch in de verzamelbundel die de dochter van Van Collem met een voorwoord van H. Roland Holst in 1932 uitgaf.

De volgende gedichten komen [via de DNL] uit Van God en van de natuur.

XIX

O menschen, hemelen en aarde zijn in U
En gij weet het niet
--
Avondgeboorte en zonnenopgang,
En gij weet het niet
--
Spoedige zee, het zwijgende diep,
Langzame velden, hoogte die riep,
En gij weet het niet .--
Een wereld leeft in U van duizend jaren,
Kostlijke boomen met takken en blaren
Diepte en hoogte en bergengebied
Stormende hemel en drijvend verschiet
Planten en struiken en sterren en dieren
Roepende, roepende, menschen komt vieren
Met ons de gemeenschap, wij zijn binnen U,
Wij kwamen, wij leefden, wij groeiden voor U,
Wij wilden dat gij ons geheellijk zoudt eten,
Dat gij ons proeven zoudt, dat gij ons weten, --
Mensch wilden wij zijn, wij boden ons aan,
In Uwe gestalte op aarde te gaan,
Wij wilden menschwording, wij deelden ons in
Bij d'eeuwigen kringloop van eind' en begin,
Tot grassen en sterren en boomen en zee,
Tot hemel en aarde en steenen en vee,
Tot deelen van 't eeuwige zingende Al
Gij, neem’ de deelen en weest het Heelal.

 

XXV

De wording van de stof tot geest is luidende
Geheel den dag, en in de nachten zwijgt hij niet,
Alom en altijd in het zwevend ruim,
Geschiedt het worden, makende muziek,
Zijn adem stijgt in den uitstaanden boom,
En door de fijngeheven takken trilt zijn rythme,
En uit de zee, een stad van klanken, rijst hij op.
Het worden is alom, hij maakt muziek,
Hij is een overgang van stof tot geest,
Hij hoort zichzelve ruischen, eeuwig gaat zijn klank,
In op en nederval door het meezwevend ruim,
Een eeuwig koor maakt hij, een overgang
Van worden en vergaan en weder worden,
Van geest tot stof van stof weer wordend geest.
En wij gelukkigen, wij stralenden,
Zijn hoorders en meezingers in dit spel,
Wij leven in de sferen van zijn gaan,
Wij tijdelijken, in het Eeuwige,
In de verwording van de stof naar stof
Naar altijd fijnere, tot hij wordt Geest,
Daarbinnen leven wij en wij zijn stof
En geest, steeds in elkander overgaande,
De deeltjes van het eeuwige heelal,
De deeltjes zingende het Algeheele.

 

XXVII

Nooit rust de scheppingsdaad, voortdurend wordt
Materie stralende, en zij verbindt
En zondert af en breekt uiteen en spoedt
Zich, zingend door het matelooze,
En brengt haar boodschap "de Verandering".
De bergen nemen 't aan, de woeste zee
Houdt in haar loop en springt omhoog,
De wind buigt zijwaarts, rukt zichzelven weg,
De vastgelegde heuvels komen golven,
En d' aarde luistert, heft het trage hoofd;
Binnen haar nieren is een roep geschied,
Een fijne stem ging zich daarin meedeelen.
Veelkleurige vertellingen staan op
Te schrijven aan een tak en op den stam
En in de bladen, hun geschiedenis,
Een schelle klinkt, voortdurend klinken schellen
Er wordt gevaren en er is geen schip,
Er wordt gereden en er is geen wiel,
Er wordt gezongen en er is geen stem,
Er wordt geschilderd en er is geen schilder,
En nochtans klinkt en kleurt en spoelt en zingt
En spat uiteen iets, hecht zich aan en springt
En cirkelt, zet zich uit en krimpt weer saam
En vliegt in snelheid, voor geen oor waarneembaar,
Luid stralende en klinkend door het Al;
Het is materie, die alscheppend werd,
De stoffen van de Zonnen, Aarde, Zeeën, --
Die zich ontmoeten in het eeuwig ruim
En scheppen, scheppen, voortbrengen uit iets,
Uit duizendmalen iets, dat iets aanraakt,
Omvat, bevrucht met felle energieën, --
Hernieuwende het mateloos heelal.

 

XXVIII

O waan der Oudheid, die in dit altijd
Uitzweven van de stoffen zaagt een God.
Wij werpen U van ons, wij gelooven thans
Dat nooit de wilde wateren een roep
Hebben gehoord, waarop zij wilden ruischen,
Dat nooit de Zon met diamanten stift
De name Gods uit schreef in het heelal,
Dat nooit dit zwervend Al een broze kom
Waar in de hand eens pottebakkers,
Dat nooit de sterren zagen op tot Een,
Naar wiens gebaar, zij gingen uit ten loop,
Alsof de zwervende atomen bogen
Zich neer voor Een, die hen had uitgeteld! --
De wijze wateren kennen geen God,
Noch de oeroude Sterren, noch de Zon,
Noch der Verschijnselen één in het Al.
Van eeuwigheid tot eeuwigheid zij gaan
Of wel, dan niet, een God aanwezig zij,
En zwerven, en geen God houdt in hun loop,
Hun eeuwig wentelenden ommegang;
Zij vragen niet naar God, zij weten niet,
Zij sterven slechts, om stervende te leven,
Zij maakten U niet, God
-- wij maakten U,
Wij opgestegenen uit dezen nacht
Van Leven, dat dit zichzelve niet begrijpt
En niets doet in het ruim dan niet begrijpen,
Wij uitgekomenen in dit heelal
Van bloed en ijzer, water, zout en licht,

Wij laatstgeborenen op deze aarde,
Wij hebben U gemaakt, wrekende God,
Alwijze God, weldoende Hemelheer,
Wij stelden U te zaam uit ons begrip,
Dat geen begrijpen is, uit onzen waan,
Die liefde heet en haat en angst en vrees
En zelfverloochening: wij maakten U,
En gij zijt slechts, o God, dit wat wij zijn.

________

Bronnen en verdere literatuur

A. van Collem op 70-jarige leeftijd in het Alg. handelsblad Wikipedia over Bram van Collem; idem DBNL, JHM en IISG [in geen van deze informatiepagina's over Van Colum vind je iets over zijn Spinozisme]

Peter Bormans, “God is een Communist – Over het werk van Abraham Eleazer van Collem” [1e van 10 pagina's]

Eén gedicht nog van A. van Collem - uit De Tribune

De Verworpenen.

De verworpenen, die denkend worden,
Zullen ingaan tot een nieuwen dag,
ln wier oude hoofd de oogen dorden,
Deze worden blinkend van gezag.

In wier leven armoe- heeft gesproken,
Gore stem van tellend kopergeld,
Deze zullen hooren, de ontloken
Gouden klokken van het voorjaarsveld

Zij, die voor den meester bogen neder,
Handen opwaarts naar het dageloon,
Zullen springen op en worden weder
Van de vrije aarde vrije zoon.

En die eertijds droegen om de leden
Teekenen van de afhankelijkheid,
Zullen opgaan naar een stralend heden,
Door de poorten der oproerigheid.

A. v. COLLEM
In De Tribune 28-04-1923 [Krantenarchief KB]

 

 

 

 

Reacties

graag zou ik iets meer willen weten over a van collem.
een kort gedicht heb ik gelezen in radio kootwijk, wat had van collem daar met die gesneuvelde soldaten ?

Geen idee. Ik ben geen Van Collem-deskundige.
Misschien is de vraag voor te leggen aan de in het blog genoemde Peter Bormans?