Aanrader: Heidi M. Ravven, The Self Beyond Itself

Mij bereikte onlangs de volgende e-mail: 

Beste Stan,

Of het mag weet ik niet maar ik probeer het: ik zou je willen consulteren in verband met de volgende vraag. In ons boek Culture as Embodiment [cf.
Amazon, cf. blog] heb ik de gewaagde stelling verkondigd dat Spinoza een gedragswetenschapper avant la lettre is, iemand die vooral ook benadrukt dat denken een activiteit is die mensen met heel hun hebben en houden in onderling verband al doende beoefenen (zoals er geen loper in de mens is die loopt is er ook geen denker in de mens die denkt).
Dus niet, zoals in de traditionele cartesiaanse  visie, vanuit een of ander geïsoleerd centrum in een onlichamelijke geest. Ik argumenteerde verder dat dit gezichtspunt pas vandaag de dag echt wordt uitgewerkt in modern cognitieonderzoek, waar cognitie ingebed, lichamelijk, al doende uitgevoerd en over mensen en hulpmiddelen gespreid is ( vgl. 4E-cognition: embedded, embodied, enacted & extended cognition).
Ik beweer dit op basis van vooral het traktaat over de verbetering van het verstand.

Weet jij of er anderen zijn die het sociale en het juist niet geïsoleerd opgesloten zijn van 'denken' bij Spinoza benadrukken?

Wie weet kun je me helpen.
Hartelijks,

Paul

Paul Voestermans
Em. UHD cultuurpsychologie, RU, Nijmegen

Beste Paul,

Dank voor je vraag en je toestemming dat ik mijn antwoord formuleer via een blog. Ik zal trachten een antwoord te formuleren, waarmee je mogelijk verder kunt – ik verraad het al in de kop. Ik was daarom blij met je vraag, daar die mij stimuleerde eindelijk met mijn bespreking van Ravven's boek te komen.

Er zijn er uiteraard velen die “het sociale en het juist niet geïsoleerd opgesloten zijn van 'denken' bij Spinoza benadrukken,” vooral bij Franse Spinoza scholars en dan vooral bij Alexandre Matheron (Individu et communauté chez Spinoza, 1969), moet dat te vinden zijn (maar dat bereikt mij via-via daar ik jammer genoeg onvoldoende Frans beheers). Een heel eigen presentatie biedt de Australische Spinoza scholar Moira Gatens in haar analyses van het werk van George Eliot die de Ethica vertaalde en Spinoza’s filosofie toepaste en aanvulde in haar romans. Zie in dit blog mijn bespreking van Gatens’s boeiende Spinoza’s Hard Path to Freedom. En zo is er wel meer.

Maar wat vooral en als het meest relevante bij me opkomt is het boek van Heidi Miriam Ravven, The Self Beyond Itself. An Alternative History of Ethics, the New Brain Sciences, and the Myth of Free Will. The New Press, 2013 – books.google  

 

In dit heel opmerkelijke boek krijg je een hele brede veelomvattende studie van een kenner van Spinoza (type Ravven in het zoekvenster) en van de joodse filosofie (Maimonides vooral), waarin ze de ontkenning van de vrije wil door Spinoza in een breed kader plaatst en hem brengt als dé voorloper van de huidige cognitie- en neurowetenschappers. Ze laat goed zien hoe de filosofie van Spinoza duidelijk als beste te gebruiken achtergrondfilosofie kan worden gezien van deze wetenschappen, relevanter dan de (ondanks kritiek) nog altijd dominante cartesiaanse en kantiaanse filosofie.

Het boek is een flinke pil (ruim 500 bladzijden), te omvangrijk om in één blog goed te bespreken. Ik zal in dit blog een impressie geven van wat dit boek biedt, waarna ik wellicht later in een volgend blog enige kritische kanttekening zal maken. Maar de laatste zijn van te geringe betekenis dan dat ik juist aan jou dit boek niet ter lezing zou aanraden.

Ik typeerde het boek als ‘opmerkelijk’, want eigenlijk biedt Heidi Ravven naast een overzicht van hedendaagse sociale en neurowetenschappen, een cultuurhistorie- of ideeëngeschiedenis, waarin ze laat zien hoe de vrije wil en de nadruk op het individu en zijn ‘ik’ in de loop der tijd ontstaan is en vooral de nefaste uitwerking van het dominant geworden christelijke stempel op opvoeding, karaktervorming, en morele educatie in het Westen, n.l. in het aanspreken van en willen drillen van de wil.

Met dat laatste begint ze. In het eerste hoofdstuk geeft ze een uitvoerige beschrijving van en kritiek op veel morele opvoeding in de Verenigde Staten van Amerika. Ze bespreekt een omvangrijke literatuur, maar doet ook verslag van haar eigen onderzoek: ze bezoekt scholen en interviewt opvoeders en opleiders. Ze doet daarvan op a.h.w. wetenschapsjournalistieke wijze verslag. Dat doet ze trouwens door het hele boek heen; het is duidelijk haar opzet om niet alleen door wetenschappers gelezen te worden: ze wil met haar boek invloed uitoefenen. Dat was ook de opzet van het forse bedrag dat ze in 2004 van de Ford Foundation ontving met de opdracht om tot een andere kijk op en aanpak van ethiek ofwel moreel handelen te komen. Ze besteedde ca tien jaar aan haar onderzoek. Ze laat in dat eerste hoofdstuk zien hoe in het (morele) onderwijs vooral het ‘ik’ en diens zgn. ‘vrije wil’ wordt aangesproken.

In het tweede hoofdstuk bevinden we ons ineens midden in de Holocaust: “Moral Lessons of the Holocaust About Good and Evil, Perpetrators and Rescuers”. Ze gaat in op de vraag: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe hebben zovelen aan deze industriële vernietiging van mensen kunnen meedoen of dit laten gebeuren? Ondanks de eeuwenlange christelijke opvoeding? Ze bespreekt uitgebreid het Stanford Prison Experiment en het Milgram Experiment, onderzoeken die mede vanuit deze vragen waren opgezet. Ook op wat er gebeurde in de Abo Graib gaat ze diep in. Vervolgens gaat ze uitgebreid in op de bekende studie Ordinary Man: Reserve Police Battalion van Cristopher Browning. Ze laat uit al deze studies zien hoe beïnvloedbaar mensen zijn: meegaan met groepsopvattingen, zich onderwerpen aan autoriteit. Dit wordt in hoofdstuk drie, The Overwhelming Power of the Group and the Situation, nog eens uitvoerig getoond vanuit de vele sociaal-psychologische onderzoeken die ze bespreekt. Het is allemaal bekend aan wie een sociale studie deed. Voor hen kan het als een opfriscursus werken, anderen krijgen hier uitvoerig les in de bevindingen van de sociale psychologie, de ontdekking van groepsdenken en van de sociale interpretatie van situaties. Haar bedoeling is duidelijk: laten zien hoe deze studies de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van het individu in z’n algemeenheid laten zien, hoe zwak het ‘ik’ is, maar ook hoe er uitzonderingen zijn en getracht wordt de vraag te beantwoorden hoe er sterke persoonlijkheden en helpers kunnen zijn. Ze laat zien hoe ook die veelal reageren, vanuit hún andere opvoeding en omgeving, die in verzet gaan en helpen voor hen vanzelfsprekend en noodzakelijk maakten.

Dan komt er met het vierde hoofdstuk een heel andere invalshoek: “What happened to Ethics. The Augustinian Legacy of Free Will.” Want daarin zoekt ze de verklaring. Ze geeft een kort maar nuttig overzicht van het hedendaagse vrije-wil-debat. Daarna bespreekt ze uitgebreid hoe Augustinus de menselijke geest gelijkstelde aan de vrije wil, en hoe hij vanuit zijn theologische preoccupaties (hoe kan de mens zondigen zonder dat God daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden), goed beschouwd de uitvinder werd van de vrije wil. Langs deze weg ontwikkelde hij 'het morele', het duidelijke onderscheid tussen goed en kwaad. Ze laat de grote invloed van Augustinus zien op de christelijke leer, juist ook in de Reformatie en Contra-Reformatie, maar ook op Descartes. Waar vaak wordt beweerd dat Descartes zich afzijdig hield van theologie, laat zij juist zien hoe hij doordrongen was van de traditionele theologie en die theologie juist behulpzaam wilde zijn.
Hiertegenover zet ze in het volgend hoofdstuk een geheel andere benadering: “Another Modernity: The Moral Naturalism of Maimonides and Spinoza.” Om te laten zien dat er naast en tegenover deze vrije-wil-benadering een geheel andere lijn te schetsen is, geworteld in de falsafa, de andere manier waarop in de Arabische wereld en vooral in Alexandrië met de Griekse erfenis werd omgegaan. Daarin is nog eens goed te zien dat de vrije wil zoals Augustinus hem ontwikkelde niet uit de Griekse filosofie stamt. Bij Aristoteles ging het om de afgewogen educatie van het verlangen, het ontwikkelen van het karakter door de middenweg tussen uitersten te zoeken. Ze laat zien hoe Maimonides in deze lijn stond en op zijn beurt Spinoza via hem eveneens morele opvoeding via de beheersing of beteugeling (niet uitroeien) van het verlangen ontwikkelde.

Dit beschouw ik als de eerste grote kracht van dit boek: hoe zij uitgebreid en helder de twee geheel andere lijnen van zicht op moraliteit en het ‘aankweken’ van ‘moreel besef’ cultuurhistorisch tegenover elkaar plaatst: de lijn van Augustinus en neoplatonisme, via Descartes en Kant met de nadruk op het individu en een in het subject aangenomen vrije wil; versus de lijn via falsafa, Maimonides en Spinoza, met de nadruk op het ingebed zijn van het individu in een groter netwerk en de conatus (begeerte) waarin het zich in de omgeving tracht te handhaven.

Interessant is hoe ze die twee lijnen o.a. laat zien door uitgebreid te behandelen hoe Maimonides en geheel anders Kant het Genesis-verhaal van Adam en Eva navertellen en evalueren/interpreteren. Jammer vind ik dat ze niet de m.i. weer heel eigen interpretatie van Spinoza reconstrueert (uit de brieven aan Van Blijenbergh en in de Tractatus Politicus], maar ik was niet van plan hier al kritiek te formuleren. **) 

De daarop volgende vier hoofdstukken, die ik hier niet apart zal behandelen, gaat ze uitgebreid in op de resultaten van het cognitie- en neurowetenschappelijk onderzoek. Ze gaat uitgebreid in op de ontdekking van de neuroplasticiteit, op wat deze wetenschappen leren over hoe ‘het Zelf’ ontstaat (zelf spreekt ze 't liefst van "selfiness"), maar vooral ook hoe aangetoond wordt dat de grenzen van het ‘zelf’ niet te vinden zijn in de grenzen van het lichaam, maar daaroverheen grijpen naar de omgeving. Het is wat ze in haar titel benadrukt The Self Beyond Itself. Ze behandelt zeer vele studies en noemt vele namen van neuro-wetenschappers en psychologen, teveel om hier allemaal te noemen. Ik volsta ermee erop te wijzen dat ze uiteraard Damasio behandelt en de door haar spinozist genoemde Jaak Pansepp, de auteur van The Archeology of Mind, en de filosoof Alva Noë.

Heel bescheiden behandelt ze tussendoor in de tekst of in de eindnoten hoe de resultaten van deze wetenschappen passen bij Spinoza’s filosofie en hoe hij - heel anders dan Descartes en Kant -als de voorloper van veel ervan kan worden gezien. Dat had ze wat mij betreft nog intensiever kunnen doen en ik vind het dan ook jammer dat ze na al die hoofdstukken niet nog eens duidelijk in een aparte paragraaf had laten zien hoe Spinoza als de beste achtergrondfilosofie kan gelden (hoewel dat eigenlijk voldoende uit de verf kwam), of eventueel hoe ze de uitbreiding/aanvulling op diens leer van haarzelf waarvan ze tussendoor stukjes liet doorschemeren niet nog eens bijeenraapte.

Maar hoe dan ook: dit uitgebreide tweede deel van haar boek: het in verband brengen van de resultaten van neurowetenschappen met Spinoza’s filosofie - of ruimer met die tweede lijn t.o. die van Augustinus-Descartes-Kant – vind ik de tweede grote verdienste van dit boek. Mij is geen boek met een vergelijkbare insteek en even grote verdienste bekend. Ik vind het een gedurfde prestatie hoe zij als Spinoza scholar zich zo breed heeft verdiept in de cognitie- en neurowetenschappen. Ik hoop dat het boek zich een plaats weet te veroveren in deze wetenschappelijke wereld. *)

Ik vermoed dat ik in een later blog nog eens op dit boek terugkom en mij een paar kleine kritische kanttekeningen veroorloof. Zeker weet ik dat nog niet, want van groot belang acht ik die niet.
[cf hier dat volgende blog]

 

____________

Enige literatuur (zonder Spinoza...)

*) Dat gebeurde nog niet in Lawrence Shapiro (Ed.), The Routledge Handbook of Embodied Cognition. [Routledge, 2014] waarin nog niet naar haar boek en slechts heel kort op p. 233 naar Spinoza's conatus werd verwezen [cf. books.google]

Ook in Daniel O. Dahlstrom, Andreas Elpidorou, Walter Hopp (Eds.), Philosophy of Mind and Phenomenology: Conceptual and Empirical Approaches [Routledge, 2015] – books.google wordt haar boek nog niet genoemd en komt Spinoza ook niet voor (maar ja de fenomenologie was juist ook niet Spinoza’s benadering, dus is er ook geen wederliefde van de kant van fenomenologen).

Daarin MARK ROWLANDS, ‘Bringing philosophy back: 4e Cognition and the argument from phenomenology [cf. books.google, cf. academia.edu]

Richard Menary, "Introduction to the special issue on 4E cognition. "In: Phenomenology and the Cognitive Sciences, December 2010, Volume 9, Issue 4, pp 459-463 [cf. Springer cf. academia.edu]

Karola Stotz, "Extended evolutionary psychology: the importance of transgenerational developmental plasticity." In Frontiers in Psychologie, aug, 2014, vol 5 [PDF]

Lauri Guy Vilhelm Calonius, “IT AIN'T ALL IN THE HEAD!”. Situating Cognition to the Body and the Surrounding World [Master's Thesis, Department of Philosophy, History, Culture and Art Studies Faculty of Arts University of University of Helsinki, 11 April 2013, PDF]

______________

**) N.a.v. de tip van Mark Behets (zie reactie) voeg ik hier de link naar de pagina van Heidi M. Ravven op Academia.edu toe. En ik zie nu dat ze daar een uitvoerig artikel heeft: "THE GARDEN OF EDEN: SPINOZA’S MAIMONIDEAN ACCOUNT OF THE GENEALOGY OF MORALS AND THE ORIGIN OF SOCIETY" - ga ik uiteraard lezen.

Reacties

Even dit eerst, straks een uitvoeriger vragenvuur: je schrijft met instemming: "met de nadruk op het ingebed zijn van het individu in een groter netwerk en de conatus (begeerte) waarin het zich in de omgeving tracht te handhaven."
wat is dat anders dan de groep, die zo verfoeid wordt vanwege de druk die erdoor op het individu wordt uitgeoefend?

@Paul,
Terechte vraag. Heidi Ravven maakt echter een onderscheid tussen het 'provincialistisch netwerk' en het 'universeel netwerk. Zelfontplooiing in Spinozistische zin is dan tot het besef komen dat we deel uitmaken van het 'universeel netwerk' - cf. E5 en de amor dei intellectualis. Heidi Ravven heeft op academia.edu een artikel gepubliceerd: 'Spinoza's individualism reconsidered' waarin ze probeert aan te tonen dat in de Korte Verhandeling het onderscheid tussen het opgaan in de twee soorten netwerken nog veel duidelijker dan in de Ethica tot uiting komt.

@Paul, ik kan me grotendeels vinden in wat Stan hierboven geschreven heeft. Ik wil je er ook op wijzen dat veel van de inhoud van wat in 'The Self beyond itself' te vinden is over Spinoza, al eerder door Ravven gepubliceerd werd in diverse artikelen, die je allemaal gratis op academia.edu kunt vinden en downloaden

Mark, dank voor je bijdragen. Ik herinner me haar onderscheid 'provincialistisch netwerk' en 'universeel netwerk' te hebben gelezen, maar ik kan het niet terugvinden. Kun je me 't paginanummer geven? want ik heb de indruk dat ik er iets over wil zeggen. Intussen wijs ik op het volgende (en misschien is dat al genoeg)

[1] Paul heeft gelijk met zijn opmerking en die druk/invloed vanuit de omgeving blijft ook voor Spinoza en Ravven altijd bestaan (niemand kan alleen volgens de rede leven en wijze zijn). Ik citeer uit haar laatste hoofdstuk, waarin ze ernaar verwijst dat ieders zelf is "fundamentally beyond itself"- "Yet that does not protect us from group evil, internal and external; that is our human weakness." [p. 417]

[2] Op vele plaatsen wijst zij erop dat Spinoza's 'oplossing' of voorgestelde aanpak [zoals jij samenvat: "tot het besef komen dat we deel uitmaken van het 'universeel netwerk' en de amor Dei intellectualis bereiken"] alleen geldt of haalbaar is voor: 'the few' [p. 236, 383, 418].

[3] Wat Spinoza aan voorstellen doet in z'n politieke geschriften t.a.v. de massa, resp. het inrichten van en leiding geven aan de staat, resp. de maatschappij, komt in dit boek niet aan bod.

Stan, het exacte paginanummer kan ik je niet geven omdat ik alleen de digitale versie van het boek heb aangeschaft, niet de gedrukte. Maar onderstaand citaat komt uit hoofdstuk 10, op in van de laatste bladzijden:
"“Why be ethical? For freedom’s sake; for the heady joy of a self expanding itself beyond the narrow and provincial local environment; for a sense of living on in the wide universe of which one is a tiny, local expression; and for an enhanced sense of agency (activity) in a dangerous, unpredictable, and ephemeral existence—those were Spinoza’s answers.”

Dank Mark, ik was al op de betreffende pagina geweest, maar meende dat er eerder nog zo'n tekst was en daar bleef ik maar naar zoeken....
Ik hoef niets toe te voegen aan wat ik boven onder [2] al zei: het zal slechts door weinigen worden bereikt, staat op diezelfde blz. 418 waarop jouw citaat staat en waarnaar ik al verwees..

Als een fraaie illustratie van de twee geheel verschillende denklijnen in het Westen (de één zonder, de ander met vrije wil) zie ik het naast elkaar bestaan van Heidi M. Ravven's The Self Beyond Itself en Charles Taylor's Sources of the Self. The Making of the Modern Identity (1989). De laatste noemt wel een enkele keer Spinoza in devaluerende zin, maar behandelt hem niet. Ravven verwijst nergens naar Taylor's boek. Kortom, nog altijd twee gescheiden werelden.