Aan 'Spinozaas Godtvergeeten rot' (ofwel spinozisten)

In het blog van gisteren liet ik weten dat het boek dat Spinoza-bestrijder François Halma in 1698 uitgaf [Het leven van B. de Spinoza, met eenige aanteekeningen over zyn bedryf, schriften, en gevoelens: door den heer Bayle, leeraar der wysbegeerte te Rotterdam (…).] door Google op internet is gebracht.  Ik ben erin gaan grasduinen en haal hier graag een paar citaten naar dit weblog.

Uit de Opdragt

Ik biede UL dan, geëerde Broederpaar, en geachte Vrienden dit bondige en doorkneede Werk aan, door 't pronk der Fransche Schryvers, in hunne taal, tegens 't rampzalig Ongodistendom, doch byzonderlykst tegens Spinoza opgestelt, en van my, zoo klaar en krachtig als 't doenlyk was, en d'Overnatuurkundige stoffe het lyden wilde, in d'onze overgebragt. Uwe liefde en hoogachting tot de Waarheit, en de geheimenissen der Goddelyke Openbaaring, die my altoos bleek, is hier toe een tweede prikkel geweest, en gaf my voor af verzekering, dat d'Opdragt en 't Werk van UL met genegentheit zoude ontfangen worden. De beruchte naam van Spinoza een Ongodist van belydenis, schrikke UL niet af, schoon hy hier op het voorhoofd word gezien. 't Levensverhaal van Godtloozen en Ongeloovigen, is zoo wel by de H. Schryvers geboekt dan dat van de Godtsdienstigen en Heiligen: want strekken de laatsten ten baak van navolging, d'eerste van voorbehoeding, en toezicht, op dat wy, naar * Paulus taal, niet in 't zelve oordeel van ongeloof zouden vallen.

Op p. 73 komen we de volgende opwekking tegen:

Spinozaas Godtvergeeten rot ,
Schryft nimmer weer van Wet of Godt,
Want uw bedrog ziet al de waereld,
Hoe gy 't vernist, of vals bepaereld. 

Op p. 167 blijkt hoeveel erger het Spinozistische gevaar is dan de aanvallen indertijd door Hertog Alva. De laatste kostte je je lichaam, maar de eerste je ziel!

Alleenlyk zeggen we, dat een waar Christen met geen minder reden yst voor den naam en de schriften van Spinoza, dan eertyds de Nederlanders voor den Hertog van Alba, en het vreeslyk geloofsonderzoek ; want zy weeten, uit den mond van hunnen Heer, dat de ligchaamsmoord niet met al is, in vergelyking van 't beschadigen der ziel; welk eerste alleen door de Spaansche wapenen kon bereikt worden daar die van d'Ongodisten zelfs voor de ziel vergiftig en verderflyk zyn.

Indien dan iemant vraagt, wat meerder is te vreezen ,
Duc d’Albaas wapenkreet,
of 't Spinozistendom;
 Der laatsten moordgeweer zal doodelyker weesen,
Dan 't bloedig Slagzwaerd van des Hartogs oorlogsdrom.

Op. p. 99, in de uitgebreide Aanmerkingen op ’t Vervolg van Philopater die aan de vertaling van Bayle's Spinozalemma voorafgaan, krijgen de Spinozisten hun fouten nog eens flink ingepeperd: ze zijn niet nederig genoeg om in geloof 't hoofd te buigen...

 

Hoewel d'onzekerheit zich vind in allen dingen,
Daar 't menschelyk verstand met kracht zoekt in te dringen,
Zelf in het geen den naam van Wysbegeerte draagt,
Waar in dat d'eene wraakt, dat anderen behaagt,
Moet zulks ons echter niet in 't onderzoek der waarheit
Doen flauwen, of zy had,
noch zekerheit, noch klaarheit,
Om dat'er veelen zyn die ’t valsche pad opslaan.

Zulks stuit niet onzen loop, noch doed ons rugglings gaan.
Wy moeten dan, om uit zoo groot een stryd van zaaken,

De zekerheit te zien, voor al behoedzaam waaken,
Dat ons 't vooroordeel, daar elk mensch doch is aan vast,
Niet overheersche, en ons doe hangen aan den bast
Der dingen, zonder tot het pit te konnen koomen.
De buitenschors bedriegt, en brengt vaak ydle droomen,
Insteê van waarheit, voor het half' verduistert oog:
Maar zoekt men kennis, moet het herte naar om hoog
Opstygen, door het vuur van brandende gebeden.
Spot, Spinozisten, lacht, schreeuwt, dit heeft slot noch reden,
Wat bidden! 't koomt hier slechts op redeneering aan,
En Wiskonst, om 't geheim der waarheit te verstaan.
Maar ik lach, op myn beurt, met uw verdichte gronden,
Dat in 't Geheele-al word maar een Natuur gevonden,
De Stoff, waar aan 't verstand moet ganschlyk zyn gewydt.
O Ongodisten, zwygt, gy zyt de waarheit quyt.
Gy bid niet, uwen Godt kan u verstaan noch hooren,
Zoo hy niet is voorzien met menschenbrein en ooren.
Of in het ligchaam van een mensch gewyzigt is.
Wie sloeg zoo onbedacht omtrent dit stuk ooit mis?
Maar wyders, om den grond der waarheit wel te peilen,
En niet op blinde klip, of barning te verzeilen,
Is 't nodig dat men ken' zyn groote onweetentheit;
Op dat men nedrig zy. Want dien is 't eerst bereidt
Den toegang tot Natuurs, en Godts geheimenissen,
Die weet hoe ligt men kan in 't menschlyk oordeel missen,
En daarom nimmer zoo zyn eigen licht betrouwt,
Dat hy zyn meening als een hemelval beschouwt.
Wie dan wil 't veiligst gaan, in alle onzekerheden,
Zoek licht van boven, en mistrouw zyn eigen reden.